Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Deuteronomium Hoofdstuk 32

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
DEUTERONOMIUM

Deuteronomium 32

1Hoort hemelen, want ik ga spreken, Luister, aarde, naar de woorden van mijn mond;
Jesaja 1:2, Jesaja 1:2, Deuteronomium 4:26, Deuteronomium 4:26, Jeremia 22:29
2Mijn leerdicht strome neer als de regen, Mijn rede druppele als de dauw, Als neerslag op het jonge gras, Als een stortbui op het groene kruid.
Jesaja 55:10, Jesaja 55:11, Jesaja 55:10, Jesaja 55:11, Psalmen 72:6
3Want Jahweh’s naam wil ik verkonden; Geeft eer aan onzen God!
Jeremia 10:6, Jeremia 10:6, Psalmen 150:2, Psalmen 150:2, Deuteronomium 5:24
4De Rots is Hij, volmaakt in zijn werken, Want al zijn wegen zijn gerecht; Een God van trouw en zonder bedrog, Rechtvaardig en gerecht is Hij.
Psalmen 18:30, Psalmen 18:31, Psalmen 18:30, Psalmen 18:31, Psalmen 92:15
5Maar zijn ontaarde zonen stonden tegen Hem op, Dat vals en bedorven geslacht!
Filippenzen 2:15, Jesaja 1:4, Filippenzen 2:15, Jesaja 1:4, Deuteronomium 31:29
6Durft gij Jahweh zó vergelden, Gij dwaas en onverstandig volk? Is Hij niet uw vader, die u geschapen, Die u gemaakt heeft, en u heeft gegrond?
Jesaja 63:16, Jesaja 63:16, 1 Johannes 3:1, 1 Johannes 3:1, Jesaja 64:8
7Herinner u de dagen van weleer, Gedenk de jaren van vroegere geslachten; Vraag het uw vader, hij zal het u melden, Uw grijsaards, zij zullen het u zeggen:
Psalmen 78:3, Psalmen 78:4, Psalmen 78:3, Psalmen 78:4, Job 8:8
8Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel gaf, En de kinderen der mensen scheidde, Toen stelde Hij de grenzen der volken vast, Naar het aantal der zonen Gods;
Handelingen 17:26, Handelingen 17:26, Genesis 11:8, Genesis 11:9, Genesis 11:8
9Maar het deel van Jahweh was zijn volk, Jakob was zijn erfdeel,
Jeremia 10:16, Jeremia 10:16, 1 Petrus 2:9, 1 Petrus 2:10, 1 Petrus 2:9
10Hij vond hem in een woestenij In de eenzaamheid, bij het huilen der steppe. Hij heeft hem met zorgen omringd, en vertroeteld, Als de appel van zijn oog hem bewaard;
Hosea 13:5, Deuteronomium 8:15, Deuteronomium 8:16, Hosea 13:5, Deuteronomium 8:15
11Als een adelaar, die zijn nest wil lokken, En boven zijn jongen blijft zweven, Zijn vleugels spreidt, en ze opneemt, Ze draagt op zijn wieken.
Exodus 19:4, Exodus 19:4, Jesaja 46:4, Jesaja 46:4, Jesaja 63:9
12Alleen Jahweh heeft hem geleid, Geen vreemde god stond hem bij!
Psalmen 78:52, Psalmen 78:53, Jesaja 46:4, Psalmen 78:52, Psalmen 78:53
13Hij liet hem de toppen der aarde bestijgen, De vruchten eten van het veld, Hem honing zuigen uit een rots, En olie uit een harde steen.
Jesaja 58:14, Job 29:6, Jesaja 58:14, Job 29:6, Psalmen 81:16
14Van de room der runderen en de melk der schapen, Van het vet van lammeren en rammen, Van de stieren van Basjan, van de bokken En van het vette merg van graan, Van het druivenbloed, van de wijn, die ge dronkt, Zijt gij vet geworden, dik en gemest.
Genesis 49:11, Genesis 49:11, Psalmen 81:16, Psalmen 147:14, Psalmen 81:16
15Toen Jakob gegeten had, verzadigd was, Jesjoeroen vet was geworden, sloeg hij achteruit, En verwierp hij zijn God, die hem had geschapen; Versmaadde hij de Rots van zijn heil.
Deuteronomium 31:20, Deuteronomium 31:20, Hosea 13:6, Hosea 13:6, Psalmen 89:26
16Zij prikkelden Hem met vreemde goden, Met hun gruwelen tartten zij Hem.
Psalmen 78:58, Psalmen 78:58, 1 Korintiërs 10:22, 1 Korintiërs 10:22, Nahum 1:1
17Zij offerden aan duivels, aan goden van niets, Goden, die zij nooit hadden gekend: Nieuwelingen, eerst onlangs gekomen, Voor wie uw vaderen nooit hadden gevreesd.
Richteren 5:8, Richteren 5:8, Leviticus 17:7, Deuteronomium 28:64, Leviticus 17:7
18Maar de Rots, die u verwekte, hebt ge vergeten, Vergeten den God, die u baarde!
Jesaja 17:10, Jesaja 17:10, Jeremia 2:32, Jeremia 2:32, Psalmen 106:21
19God zag het, en verwierp Uit gramschap zijn zonen en dochters.
Psalmen 106:40, Psalmen 106:40, Richteren 2:14, Jesaja 1:2, Psalmen 5:4
20Hij sprak: Ik zal voor hen mijn aanschijn verbergen, En wil zien, wat hun einde zal zijn; Want zij zijn een bedorven geslacht, Trouweloze kinderen!
Deuteronomium 31:17, Deuteronomium 31:18, Deuteronomium 31:17, Deuteronomium 31:18, Deuteronomium 32:5
21Zij hebben Mij geprikkeld door een god van niets, Mij door hun ijdelheden getart. Maar Ik zal hen prikkelen door een volk van niets, Hen tarten door een ijdel volk;
Romeinen 10:19, Romeinen 10:19, Romeinen 9:25, Romeinen 9:25, Romeinen 11:11
22Want een vuur is ontvlamd in mijn woede, Dat tot het diepst van het dodenrijk brandt! Het zal de aarde met haar gewassen verteren, De grondvesten der bergen verzengen.
Klaagliederen 4:11, Klaagliederen 4:11, Jeremia 15:14, Jeremia 15:14, Micha 1:4
23Ik zal hen overstelpen met rampen, Mijn pijlen verschieten tegen hen;
Ezechiël 5:16, Ezechiël 5:16, Jesaja 24:17, Jesaja 24:18, Psalmen 7:12
24Zij zullen uitgeput worden door honger, Verteerd door koorts en giftige pest. Tanden van wilde beesten laat Ik tegen hen los, Met venijn van serpenten in het stof;
Leviticus 26:22, Leviticus 26:22, Ezechiël 5:17, Ezechiël 5:17, Amos 9:3
25Buiten moordt het zwaard hen uit, De schrik binnenshuis: Jongemannen als maagden Zuigelingen met grijsaards.
Ezechiël 7:15, Ezechiël 7:15, Klaagliederen 1:20, Klaagliederen 1:20, Klaagliederen 4:4
26Ik had zeker gezegd: Ik vaag ze weg, Laat zelfs hun gedachtenis onder de mensen verdwijnen,
Deuteronomium 28:64, Deuteronomium 28:64, Deuteronomium 28:37, Psalmen 34:16, Leviticus 26:33
27Zo Ik de hoon van den vijand niet vreesde, Hun tegenstanders het niet verkeerd zouden verstaan, En zouden zeggen: Het was onze machtige hand, Niet Jahweh heeft dit alles gedaan!
Psalmen 140:8, Numeri 14:15, Numeri 14:16, Exodus 32:12, 1 Samuël 12:22
28Want ze zijn een volk, dat het begrip heeft verloren, En zonder verstand;
Jeremia 4:22, Jeremia 4:22, Hosea 4:6, Jesaja 27:11, Job 28:28
29Waren ze wijs, ze zouden het hebben begrepen, En hun krijgsgeluk hebben verstaan.
Psalmen 81:13, Psalmen 81:13, Deuteronomium 5:29, Deuteronomium 5:29, Lucas 19:41
30Hoe toch zou één er duizend hebben vervolgd, En twee er tienduizend op de vlucht kunnen jagen, Zo hun Rots ze niet had prijsgegeven? En Jahweh ze niet had overgeleverd?
Leviticus 26:8, Leviticus 26:8, Jozua 23:10, Jozua 23:10, Jesaja 30:17
31Want niet als onze Rots is de hunne: Dat erkennen onze vijanden zelf!
Exodus 14:25, 1 Samuël 4:8, Exodus 14:25, 1 Samuël 4:8, Daniël 2:47
32Neen, van Sodoma’s wijnstok stammen hun ranken, En van Gomorra’s wingerd: Hun druiven zijn giftige bessen, Hun trossen vol bitterheid.
Deuteronomium 29:18, Deuteronomium 29:18, Jesaja 1:10, Ezechiël 16:45, Ezechiël 16:51
33Drakengif is hun wijn, Dodelijk addervenijn.
Psalmen 58:4, Psalmen 58:4, Romeinen 3:13, Romeinen 3:13, Psalmen 140:3
34Ligt dat niet bij Mij bewaard In mijn schatkamers verzegeld
Job 14:17, Hosea 13:12, Job 14:17, Hosea 13:12, Jeremia 2:22
35Voor de dag van wraak en vergelding, Voor de tijd, dat hun voeten wankelen? Want nabij is de dag van hun ondergang, Wat hun bereid is, snelt toe!
Romeinen 12:19, Romeinen 12:19, Hebreeën 10:30, Hebreeën 10:30, Nahum 1:2
36Want Jahweh schaft recht aan zijn volk En ontfermt zich over zijn dienaars, Wanneer Hij ziet dat hun kracht is geweken, En er geen slaaf en geen vrije meer is.
Psalmen 135:14, Psalmen 135:14, Psalmen 106:45, Psalmen 106:45, 2 Koningen 14:26
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden, De rots, tot wie zij hun toevlucht namen:
Jeremia 2:28, Jeremia 2:28, Richteren 10:14, Richteren 10:14, 2 Koningen 3:13
38Die het vet van hun slachtoffers aten, En de wijn van hun plengoffers dronken? Laat hen opstaan en u helpen, Een schutse voor u zijn!
Leviticus 21:21, Ezechiël 16:18, Ezechiël 16:19, Psalmen 50:13, Richteren 10:14
39Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, En dat er geen God naast Mij is: Ik dood en maak levend, verbrijzel en heel! En er is niemand, die redt uit mijn hand!
1 Samuël 2:6, 1 Samuël 2:6, Hosea 6:1, Hosea 6:1, Job 5:18
40Waarachtig, Ik hef mijn hand naar de hemel, En zeg: Zowaar Ik eeuwig leef!
Genesis 14:22, Hebreeën 6:17, Hebreeën 6:18, Genesis 14:22, Hebreeën 6:17
41Wanneer Ik mijn bliksemend zwaard heb gewet, En mijn hand naar het strafgericht grijpt, Zal Ik mij wreken op mijn vijand, En die Mij haten, doen boeten.
Jesaja 66:16, Jesaja 66:16, Jesaja 34:5, Jesaja 34:6, Jesaja 34:5
42Dan maak Ik mijn pijlen dronken van bloed, En mijn zwaard zal vlees verslinden: Van het bloed der verslagenen en gevangenen, Van het hoofd der vijandelijke vorsten.
Deuteronomium 32:23, Deuteronomium 32:23, Jeremia 46:10, Ezechiël 38:21, Ezechiël 38:22
43Stemt, naties, een jubelzang aan voor zijn volk, Omdat Hij het bloed van zijn dienaren wreekt, Wraak aan zijn vijanden oefent Maar het land van zijn volk vergiffenis schenkt!
Romeinen 12:19, Openbaring 19:2, Romeinen 12:19, Openbaring 19:2, Openbaring 6:10
44Zo trad Moses met Josuë, den zoon van Noen, naar voren, en zong al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk.
Numeri 13:8, Numeri 13:16, Numeri 13:8, Numeri 13:16, Deuteronomium 31:22
45En toen Moses al deze woorden ten einde toe voor heel Israël had gesproken,
46zeide hij hun: Neemt al de vermaningen, die ik u heden heb ingeprent, ter harte, en beveelt uw zonen, al de woorden van deze Wet nauwgezet te volbrengen.
1 Kronieken 22:19, 1 Kronieken 22:19, Ezechiël 40:4, Ezechiël 40:4, Deuteronomium 11:18
47Want het is geen ijdel woord voor u, maar het betekent uw leven; slechts door dit woord zult ge lang in het land kunnen wonen, dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.
Spreuken 4:22, Spreuken 4:22, Leviticus 18:5, Leviticus 18:5, 2 Petrus 1:16
48Nog op diezelfde dag sprak Jahweh tot Moses:
Numeri 27:12, Numeri 27:13, Numeri 27:12, Numeri 27:13
49Bestijg hier het gebergte Abarim, de berg Nebo in het land Moab en tegenover Jericho, en werp een blik over het land Kanaän, dat Ik aan de kinderen Israëls in eigendom ga geven.
Numeri 27:12, Numeri 27:12, 2 Korintiërs 5:1, Jesaja 33:17, Numeri 33:47
50Dan zult ge op de berg, die ge bestijgt, sterven en verzameld worden bij uw volk, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor is gestorven en bij zijn volk is verzameld.
Genesis 25:8, Genesis 25:8, Numeri 33:38, Numeri 33:38, Genesis 49:33
51Want gij beiden zijt Mij ontrouw geweest te midden van Israëls kinderen bij het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin, en hebt Mij niet als heilig behandeld te midden van Israëls kinderen.
Numeri 27:14, Numeri 27:14, Numeri 20:11, Numeri 20:14, Numeri 20:11
52Gij zult het land, dat Ik aan Israëls kinderen zal geven, voor u zien liggen, maar het niet binnengaan.
Deuteronomium 34:1, Deuteronomium 34:4, Deuteronomium 34:1, Deuteronomium 34:4, Deuteronomium 32:49

Andere Boeken

DeuteronomiumJozuaRichteren+

Andere Boeken

DeuteronomiumHfst. 32
JozuaRichterenRuth1 Samuël2 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward