1Na Josuë’s dood raadpleegden de Israëlieten Jahweh en vroegen: Wie van ons zal het eerst tegen de Kanaänieten ten strijde trekken?stylusNumeri 27:21, Richteren 20:18, Numeri 27:21, Richteren 20:18, Richteren 20:282Jahweh sprak: Juda zal optrekken; zie, Ik lever hem het land over.stylusOpenbaring 5:5, Openbaring 5:5, Numeri 2:3, Genesis 49:8, Genesis 49:103Daarom sprak Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op naar mijn erfdeel, en laat ons samen tegen de Kanaänieten strijden; dan zal ook ik met u naar uw erfdeel gaan. En Simeon trok met hem mee.stylusRichteren 1:17, 2 Samuël 10:11, Jozua 19:1, Richteren 1:17, 2 Samuël 10:114Toen Juda dan uitrukte, leverde Jahweh de Kanaänieten en Perizzieten in hun handen, zodat ze er te Bézek tien duizend versloegen.stylus1 Samuël 11:8, 1 Samuël 11:8, Deuteronomium 7:2, Jozua 11:6, Jozua 11:85Want in Bézek stietten ze op Adoni-Bézek, bonden de strijd met hem aan, en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten.stylus6Adoni-Bézek nam de vlucht; maar ze gingen hem achterna, namen hem gevangen, en kapten hem zijn duimen en grote tenen af.stylus7En Adoni-Bézek zeide: Zeventig koningen met afgehouwen duimen en grote tenen raapten de afval van mijn tafel bijeen; naar mijn werken heeft God me vergolden. Men bracht hem naar Jerusalem, waar hij stierf.stylus1 Samuël 15:33, 1 Samuël 15:33, Jakobus 2:13, Lucas 6:37, Lucas 6:388De mannen van Juda belegerden Jerusalem en namen het in, waarna ze de stad met het zwaard uitmoordden en in brand staken.stylusJozua 15:63, Jozua 15:63, Richteren 1:21, Richteren 1:219Daarna zakten de Judeërs af, om de Kanaänieten te bestrijden, die in het bergland, de Négeb en de Sjefela verblijf hielden.stylusJozua 15:13, Jozua 15:20, Jozua 11:21, Jozua 10:36, Jozua 15:1310Zo trok Juda tegen de Kanaänieten op, die te Hebron woonden; Hebron werd vroeger Kirjat-Arba genoemd. En hij versloeg Sjesjai, Achiman en Talmai.stylusJozua 14:15, Numeri 13:22, Jozua 14:15, Numeri 13:22, Jozua 15:1311Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Séfer genoemd.stylusJozua 15:15, Jozua 15:15, Jozua 10:38, Jozua 10:39, Jozua 10:3812Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Séfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.stylusJozua 15:16, Jozua 15:17, Jozua 15:16, Jozua 15:17, 1 Samuël 17:2513Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.stylusRichteren 3:9, Richteren 3:914Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?stylusJozua 15:18, Jozua 15:19, Jozua 15:18, Jozua 15:1915Ze zeide hem: Schenk me een gift; nu ge mij eenmaal voor de Négeb bestemd hebt, moet ge me ook waterbronnen geven. En Kaleb gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.stylus2 Korintiërs 9:5, 1 Samuël 25:27, 1 Samuël 25:18, Genesis 33:11, Hebreeën 6:716Tezamen met de Judeërs trokken ook de nakomelingen van Chobab, den Keniet, Moses schoonvader, uit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, waar men afdaalt naar Arad, en vestigden zich bij de Amalekieten.stylusNumeri 10:29, Numeri 10:32, Numeri 10:29, Numeri 10:32, Richteren 4:1117Daarna trok Juda met zijn broeder Simeon op, en zij versloegen de Kanaänieten, die te Sefat woonden; ze troffen de stad met de banvloek, en men noemde ze Chorma.stylusNumeri 21:3, Numeri 21:3, Numeri 14:45, Jozua 19:4, 2 Kronieken 14:1018Maar Juda kwam niet in het bezit van Gaza, Asjkelon en Ekron met bijbehorend gebied.stylusJozua 11:22, Jozua 11:22, Richteren 3:3, Richteren 3:3, Exodus 23:3119Juda maakte zich wel van het bergland meester, omdat Jahweh met hem was, maar de bewoners der vlakte konden ze niet verdrijven, want die hadden ijzeren wagens.stylusJesaja 41:10, Richteren 1:2, Psalmen 60:12, Jesaja 41:10, Richteren 1:220Zoals Moses bepaald had, gaf men Hebron aan Kaleb, die er de drie Anaks-kinderen uit verdreef.stylusRichteren 1:10, Richteren 1:10, Jozua 15:13, Jozua 15:14, Jozua 15:1321Ook de Benjamieten verdreven de Jeboesieten niet, die Jerusalem bevolkten, zodat de Jeboesieten er met de Benjamieten samenwonen tot op de huidige dag.stylusJozua 15:63, Jozua 15:63, Jozua 18:11, Jozua 18:28, Richteren 19:1022Het huis van Josef trok op, en wel naar Betel; en Jahweh was met hen.stylusRichteren 1:19, Richteren 1:19, Openbaring 7:8, Jozua 16:1, Jozua 16:423Toen nu het huis van Josef Betel, dat vroeger Loez heette, liet bespieden,stylusGenesis 28:19, Genesis 28:19, Genesis 35:6, Genesis 48:3, Genesis 35:624zagen de spionnen een man uit de stad komen. Ze zeiden hem: Wijs ons, hoe we in de stad kunnen komen; dan zullen we u sparen.stylus1 Samuël 30:15, Jozua 2:12, Jozua 2:14, 1 Samuël 30:15, Jozua 2:1225En hij wees hun, waar ze de stad moesten binnengaan. Daarop joegen ze de stad over de kling, maar dien man en zijn hele familie lieten ze gaan.stylusJozua 6:22, Jozua 6:25, Jozua 6:22, Jozua 6:2526De man vertrok naar het land der Chittieten, en bouwde er een stad, die hij Loez noemde, zoals ze nu nog heet.stylus2 Koningen 7:6, 2 Kronieken 1:17, 2 Koningen 7:6, 2 Kronieken 1:1727Maar ook Manasse veroverde Bet-Sjean en Taänak met hun dorpen niet, en verdreef evenmin de bewoners van Dor, Jibleam, Megiddo en hun dorpen, zodat de Kanaänieten zich handhaafden in deze streek.stylusJozua 17:11, Jozua 17:13, Jozua 17:11, Jozua 17:13, 1 Samuël 15:928Toen Israël machtiger geworden was, heeft het de Kanaänieten wel dienstbaar gemaakt, maar uitgedreven heeft het ze niet.stylus29Ook Efraïm verjoeg de kanaänietische bevolking van Gézer niet; vandaar dat de Kanaänieten midden onder hen bleven wonen.stylusJozua 16:10, Jozua 16:10, 1 Koningen 9:16, 1 Koningen 9:1630Ook Zabulon verdreef noch de bewoners van Kitron, noch die van Nahalol; de Kanaänieten leefden dus te midden van de Zabulonieten, maar waren dienstplichtig.stylusJozua 19:15, Jozua 19:1531Aser verjoeg de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet,stylusJozua 19:24, Jozua 19:30, Jozua 19:24, Jozua 19:3032zodat de Aserieten midden tussen de Kanaänieten, de landsbevolking, woonden; want verdrijven konden ze die niet.stylusPsalmen 106:34, Psalmen 106:35, Psalmen 106:34, Psalmen 106:3533Neftali verjoeg de bevolking van Bet-Sjémesj en die van Bet-Anat niet, maar leefde te midden der Kanaänieten, die in deze streek woonden; de bevolking van Bet-Sjémesj en Bet-Anat was hun echter dienstbaar.stylusJozua 19:32, Jozua 19:38, Jozua 19:32, Jozua 19:38, Psalmen 18:2434De Amorieten drongen de Danieten het bergland in en zorgden ervoor, dat ze niet naar beneden kwamen in de vlakte.stylusJozua 19:47, Jozua 19:47, Richteren 18:1, Richteren 18:135Vandaar dat de Amorieten zich handhaafden te Har-Chéres, Ajjalon, en Sjaälbim; maar het huis van Josef kreeg de overhand over hen, zodat ze dienstplichtig werden.stylusJozua 19:42, Jozua 19:42, Jozua 10:12, Richteren 12:12, Jozua 10:1236Het gebied der Edomieten strekte zich uit van het hoge Akrabbim, vanaf Séla en nog verder.stylusNumeri 34:4, Numeri 34:4, Jozua 15:2, Jozua 15:3, Jozua 15:2