1Er was eens en man uit Rama, een Soefeër van het Efraïmgebergte, met name Elkana, een zoon van Jerocham, den zoon van Elihoe, zoon van Tóach, zoon van Soef: een Efraïmiet.stylus1 Kronieken 6:25, 1 Kronieken 6:27, 1 Kronieken 6:25, 1 Kronieken 6:27, 1 Kronieken 6:342Hij had twee vrouwen, van wie de een Channa, de andere Peninna heette. Peninna had kinderen, maar Channa niet.stylusGenesis 4:23, Genesis 16:1, Genesis 16:2, Mattheüs 19:8, Richteren 8:303Elk jaar ging die man uit zijn woonplaats op, om zijn hulde en offers te brengen aan Jahweh der heirscharen in Sjilo, waar de beide zonen van Eli: Chofni en Pinechas, dienst deden als priesters van Jahweh.stylusLucas 2:41, Lucas 2:41, Jozua 18:1, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:74Telkens als Elkana offerde, was hij gewend, om aan zijn vrouw Peninna en al haar zonen en dochters een groter aandeel te schenken,stylusDeuteronomium 12:17, Deuteronomium 12:18, Deuteronomium 12:17, Deuteronomium 12:18, Deuteronomium 16:115terwijl hij Channa slechts één deel gaf. Toch had hij Channa lief, maar Jahweh had haar schoot gesloten.stylusGenesis 30:2, Genesis 30:2, Genesis 29:30, Genesis 29:31, Genesis 29:306Dan tergde haar mededingster haar met opzet, om haar te prikkelen, dat Jahweh haar schoot had gesloten.stylusJob 6:14, Job 6:14, Job 24:21, Job 24:21, Leviticus 18:187Zo ging het alle jaren; telkens als zij opgingen naar het huis van Jahweh tergde zij haar. Toen zij dan ook eens daarover weende en niets kon eten,stylus1 Samuël 2:19, 1 Samuël 2:198vroeg Elkana, haar man, haar: Channa, waarom huilt ge; waarom eet ge niet, en waarom zijt ge bedroefd? Ben ik u dan niet méér waard dan tien zonen?stylusRuth 4:15, Ruth 4:15, Jesaja 54:6, Job 6:14, Jesaja 54:69Toen men dan in Sjilo gegeten en gedronken had, stond Channa op en ging voor Jahweh’s aanschijn staan Eli, de priester, zat op zijn stoel bij de deurpost van Jahweh’s heiligdom.stylus1 Samuël 3:3, 1 Samuël 3:3, Psalmen 27:4, Psalmen 27:4, 2 Samuël 7:210Bitter bedroefd begon ze tot Jahweh te bidden, en onder een stroom van tranenstylusJob 7:11, Job 7:11, Lucas 22:44, Job 10:1, Lucas 22:4411legde ze deze gelofte af: Jahweh der heirscharen! Als Gij U gewaardigt, neer te zien op de droefheid van uw dienstmaagd, als Gij aan mij denkt, als Gij uw dienstmaagd niet vergeet en haar een mannelijk kind wilt schenken, dan zal ik hem aan Jahweh wijden al de dagen van zijn leven. Geen schaar zal zijn hoofd aanraken.stylusRichteren 13:5, Richteren 13:5, Numeri 6:5, Numeri 6:5, Prediker 5:412Toen ze nu zo vurig tot Jahweh bad, en Eli naar haar mond keek,stylus1 Tessalonicenzen 5:17, Jakobus 5:16, 1 Tessalonicenzen 5:17, Jakobus 5:16, Lucas 18:113dacht hij, dat ze dronken was. Want Channa sprak in zich zelf: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet hoorbaar.stylusRomeinen 8:26, Romeinen 8:26, Genesis 24:42, Genesis 24:45, Handelingen 2:1314Eli riep haar toe: Hoe lang blijft ge u aanstellen als een beschonkene? Ga uw roes uitslapen!stylusJob 22:23, Job 11:14, Mattheüs 7:1, Mattheüs 7:3, Job 8:215Maar Channa antwoordde: Neen heer, ik ben een ongelukkige vrouw. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik stortte mijn gemoed uit voor Jahweh!stylusPsalmen 62:8, Psalmen 62:8, Klaagliederen 2:19, Klaagliederen 2:19, Psalmen 42:416Beschouw uw dienstmaagd niet als een dochter van Belial want om mijn grote zorgen en verdriet heb ik zo lang gebeden.stylus1 Samuël 2:12, 1 Samuël 2:12, Job 10:1, Job 10:2, Mattheüs 12:3417Toen sprak Eli: Ga in vrede! Moge de God van Israël het verzoek verhoren, dat ge Hem afgebeden hebt.stylusMarcus 5:34, Marcus 5:34, Psalmen 20:3, Psalmen 20:5, Richteren 18:618Ze antwoordde: Moge uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Toen ging de vrouw heen; ze kon weer eten en liet haar hoofd niet meer hangen.stylusRuth 2:13, Ruth 2:13, Romeinen 15:13, Romeinen 15:13, Prediker 9:719De volgende morgen stonden ze vroeg op, bogen zich voor Jahweh neer, en reisden terug naar hun huis in Rama. Daar hield Elkana gemeenschap met zijn vrouw Channa, en Jahweh gedacht haar.stylusGenesis 21:1, Genesis 21:1, Genesis 30:22, 1 Samuël 1:11, Genesis 30:2220Want Channa werd zwanger, en bracht een zoon ter wereld, dien ze Samuël noemde; want ze zeide: Afgesmeekt heb ik hem van Jahweh. Toen het jaar verstreken was,stylusGenesis 41:51, Genesis 41:52, Genesis 41:51, Genesis 41:52, Mattheüs 1:2121ging die man Elkana met heel zijn gezin weer op, om aan Jahweh het jaarlijks offer te brengen en zijn gelofte te vervullen.stylus1 Samuël 1:3, 1 Samuël 1:3, Deuteronomium 12:11, Deuteronomium 12:11, Jozua 24:1522Channa ging echter niet mee. Want ze zei tot haar man: Eerst als het kind de borst ontwend is, zal ik het meenemen; dan kan het voor Jahweh’s aanschijn treden, en daar voor altijd blijven.stylus1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:28, 1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:28, Lucas 2:2223Elkana, haar man, gaf haar ten antwoord: Doe wat u goeddunkt, en blijf maar hier, totdat ge hem de borst hebt ontwend; ik hoop maar, dat Jahweh uw woord in vervulling doet gaan. Dus bleef de vrouw thuis en voedde ze haar zoon, totdat ze hem de borst had ontwend.stylus2 Samuël 7:25, 2 Samuël 7:25, Mattheüs 24:19, 1 Samuël 1:17, Lucas 11:2724Zodra zij hem echter de borst ontwend had, nam zij hem met zich mee, benevens een driejarigen stier, een efa meel en een zak wijn. Zo bracht zij het kind naar het huis van Jahweh in Sjilo, toen het nog jong was.stylusNumeri 15:9, Numeri 15:10, Numeri 15:9, Numeri 15:10, Jozua 18:125Ze slachtten den stier, en brachten het kind naar Eli.stylusLucas 18:15, Lucas 18:16, Lucas 18:15, Lucas 18:16, Lucas 2:2226Nu sprak zij: Ik bid u, heer! Heer, zo waar als gij leeft, ik ben de vrouw, die hier bij u stond, om tot Jahweh te bidden.stylus2 Koningen 2:2, 2 Koningen 2:4, 2 Koningen 4:30, 2 Koningen 2:6, 2 Koningen 2:227Om dit kind heb ik gebeden, en Jahweh heeft mij geschonken, wat ik Hem heb afgesmeekt.stylus1 Johannes 5:15, 1 Johannes 5:15, Psalmen 118:5, 1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:1328Daarom sta ik hem nu aan Jahweh af; zolang hij leeft, blijft hij aan Jahweh afgestaan. En ze bogen zich daar voor Jahweh neer.stylusGenesis 24:26, Genesis 24:26, Genesis 24:52, Genesis 24:52, 2 Timotheüs 3:15