1Eens onder het bestuur der Rechters, toen er hongersnood heerste in het land, trok een man uit Betlehem van Juda weg, hij met zijn vrouw en zijn twee zonen, om zich tijdelijk te gaan vestigen in de velden van Moab.stylusGenesis 12:10, Genesis 12:10, Genesis 26:1, Genesis 26:1, Ezechiël 14:132De man heette Elimélek, zijn vrouw Noömi, zijn beide zonen Machlon en Kiljon; het waren Efrateërs uit Betlehem van Juda. En in de velden van Moab gekomen, woonden ze daar.stylusGenesis 35:19, Genesis 35:19, 1 Samuël 17:21, Micha 5:2, 1 Samuël 17:213Elimélek nu, de man van Noömi, stierf, en zij bleef met haar twee zonen achter.stylusHebreeën 12:10, Hebreeën 12:11, Psalmen 34:19, Hebreeën 12:10, Hebreeën 12:114Beiden huwden moabietische vrouwen; de een heette Orpa, de andere Rut. Toen ze daar ongeveer tien jaar hadden gewoond,stylusMattheüs 1:5, Mattheüs 1:5, 1 Koningen 11:1, 1 Koningen 11:2, Deuteronomium 7:35stierven ook Machlon en Kiljon beiden. Zo overleefde de vrouw haar beide kinderen en haar man.stylusJesaja 49:21, Lucas 7:12, Jeremia 2:19, Deuteronomium 32:39, Psalmen 89:306Nu trok zij met haar schoondochters op, om uit de velden van Moab terug te keren; want ze had in de velden van Moab gehoord, dat Jahweh Zich over zijn volk had ontfermd en het brood had gegeven.stylusPsalmen 132:15, Psalmen 132:15, Exodus 16:4, Exodus 16:6, Psalmen 111:57Nadat ze dus met haar beide schoondochters de plaats had verlaten, waar ze vertoefd had, en zij op weg waren, om naar het land van Juda terug te keren,stylus2 Koningen 8:3, 2 Koningen 8:3, Exodus 18:27, Ruth 1:14, Exodus 18:278zei Noömi tot haar twee schoondochters: Gaat beiden nu terug, ieder naar het huis van uw moeder. Moge Jahweh goed voor u zijn, zoals gij goed zijt geweest voor de doden en voor mij.stylusRuth 1:5, Ruth 1:5, Ruth 2:20, Ruth 2:20, Kolossenzen 3:189Moge Jahweh u beiden een tehuis laten vinden, ieder in het huis van uw man. Toen kuste ze haar. Maar ze begonnen te schreien,stylusRuth 3:1, Ruth 3:1, Genesis 29:11, Genesis 45:15, Handelingen 20:3710en zeiden haar: We willen met u terug naar uw volk.stylusZacharia 8:23, Zacharia 8:23, Psalmen 119:63, Psalmen 16:3, Psalmen 119:6311Noömi hernam: Keert terug, mijn dochters. Waarom zoudt gij met mij meegaan? Draag ik dan nog zonen in mijn schoot, die uw man zouden kunnen worden?stylusDeuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:5, Genesis 38:11, Genesis 38:1112Keert terug, mijn dochters; gaat toch, want ik ben te oud, om nog te huwen. En al dacht ik ook, dat er nog hoop voor me was, al zou ik vannacht nog een man toebehoren, al zou ik ook zonen krijgen:stylusGenesis 17:17, Genesis 17:17, 1 Timotheüs 5:9, 1 Timotheüs 5:913zoudt gij dan willen wachten, tot ze groot zijn geworden, en u ter wille van hen onthouden, door zolang ongehuwd te blijven? Neen, mijn dochters; ik ben veel te ongelukkig voor u, want de hand van Jahweh is tegen mij uitgestrekt.stylusJob 19:21, Job 19:21, Psalmen 32:4, Richteren 2:15, Psalmen 32:414Opnieuw begonnen ze te schreien. Toen kuste Orpa haar schoonmoeder vaarwel, maar Rut bleef bij haar.stylusSpreuken 18:24, Spreuken 18:24, Mattheüs 10:37, Mattheüs 16:24, Mattheüs 10:3715Nu zei Noömi: Zie, uw schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god; volg nu uw schoonzuster.stylusRichteren 11:24, Richteren 11:24, Sefanja 1:6, 2 Koningen 2:2, Jozua 24:1516Maar Rut zeide: Dring er bij mij niet op aan, om u te verlaten of terug te keren; want waar gij heengaat, daar ga ook ik heen, en waar gij verblijft, daar wil ook ik verblijven; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.stylus2 Samuël 15:21, 2 Samuël 15:21, Ruth 2:11, Ruth 2:12, Ruth 2:1117Waar gij sterft, wil ook ik sterven en daar wil ik begraven worden. Dit mag Jahweh mij doen en nog erger, als niet de dood alleen mij zal scheiden van u.stylus1 Samuël 3:17, 1 Samuël 3:17, 2 Samuël 19:13, 2 Koningen 6:31, 1 Koningen 2:2318Toen Noömi zag, dat ze vast besloten was, haar te vergezellen, sprak ze er haar niet verder over.stylusHandelingen 21:14, Handelingen 21:14, Efeziërs 6:10, Handelingen 2:42, Efeziërs 6:1019Zo trokken zij samen voort, tot ze Betlehem bereikten. Maar toen ze in Betlehem kwamen, geraakte heel de stad over haar in opschudding. En de vrouwen zeiden: Dat is Noömi!stylusMattheüs 21:10, Mattheüs 21:10, Klaagliederen 2:15, Jesaja 23:7, Klaagliederen 2:1520Doch zij zeide haar: Noemt me niet Noömi, maar noemt me Mari, want de Almachtige heeft mij met bitterheid vervuld.stylusJob 6:4, Job 6:4, Hebreeën 12:11, Hebreeën 12:11, Klaagliederen 3:121Vol ging ik heen en leeg heeft Jahweh me teruggebracht. Waarom zoudt gij me nog Noömi noemen, nu Jahweh hard voor mij is geweest, en de Almachtige mij ongelukkig heeft gemaakt?stylusJob 1:21, 1 Samuël 2:7, 1 Samuël 2:8, Job 1:21, 1 Samuël 2:722Zo keerde Noömi in gezelschap van haar schoondochter Rut, de moabietische, uit de velden van Moab terug. Het was in het begin van de gersteoogst, toen ze te Betlehem kwamen.stylusRuth 2:23, Ruth 2:23, 2 Samuël 21:9, 2 Samuël 21:9, Exodus 9:31