1Wanneer gij tegen uw vijanden ten strijde trekt, en gij ziet paarden, wagens en talrijker krijgsvolk dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn; want Jahweh, uw God, die u uit Egypte heeft geleid, staat u bij.stylus2 Kronieken 32:7, 2 Kronieken 32:8, 2 Kronieken 32:7, 2 Kronieken 32:8, Deuteronomium 31:82En wanneer gij de strijd gaat beginnen, dan zal de priester naar voren treden, en het volk toespreken,stylusNumeri 10:8, Numeri 10:9, 2 Kronieken 13:12, Numeri 31:6, Numeri 10:83en hun zeggen: Hoor, Israël; gij begint heden de strijd met uw vijanden! Weest niet laf en angstig, niet bang voor hen en bevreesd;stylusHebreeën 13:6, Psalmen 3:6, Hebreeën 13:6, Psalmen 3:6, Openbaring 2:104want Jahweh, uw God, trekt met u op, om uw vijanden voor u te bestrijden en u te helpen.stylusExodus 14:14, Exodus 14:14, Deuteronomium 3:22, Deuteronomium 3:22, Jozua 23:105Dan zullen de leiders het volk toespreken en zeggen: Wie een nieuw huis heeft gebouwd, en het nog niet heeft betrokken, mag naar huis terugkeren; hij zou in de strijd kunnen vallen, en een ander zijn huis betrekken.stylusNehemia 12:27, Nehemia 12:27, Numeri 31:48, 1 Samuël 17:18, Deuteronomium 1:156En wie een wijngaard heeft geplant, en er nog niet van heeft geplukt, mag naar huis terugkeren; hij zou in de strijd kunnen vallen, en een ander van zijn wijngaard plukken.stylusLeviticus 19:23, Leviticus 19:25, Leviticus 19:23, Leviticus 19:25, Jeremia 31:57En wie zich met een vrouw heeft verloofd, maar haar nog niet heeft gehuwd, mag naar huis terugkeren; hij zou in de strijd kunnen vallen, en een ander haar huwen.stylusDeuteronomium 24:5, Deuteronomium 24:5, Deuteronomium 28:30, Deuteronomium 28:30, 2 Timotheüs 2:48Dan moeten de leiders nog tot het volk zeggen: Wie bang is en laf, moet naar huis terugkeren, om zijn broeder niet als zichzelf de moed te benemen.stylusRichteren 7:3, Richteren 7:3, Openbaring 21:8, Deuteronomium 1:28, Openbaring 21:89En wanneer de leiders hun toespraak tot het volk hebben beëindigd, moeten zij legeroversten over het volk aanstellen.stylus10Wanneer ge tegen een stad oprukt om ze te belegeren, moet ge haar eerst de vrede aanbieden.stylus2 Korintiërs 5:18, 2 Korintiërs 6:1, Lucas 10:5, Lucas 10:6, Efeziërs 2:1711Zo zij op uw vredesvoorstel ingaat, en haar poorten voor u opent, zal heel de bevolking, die zich daarbinnen bevindt, herendiensten voor u moeten verrichten, en u moeten dienen.stylusJozua 9:27, Richteren 1:28, Jozua 9:22, Jozua 9:23, 1 Koningen 9:2112Maar zo ze geen vrede met u wil, doch de strijd met u aanbindt, moet ge haar belegeren.stylus13En wanneer Jahweh, uw God, ze in uw hand heeft geleverd, moet gij alle mannen over de kling jagen;stylusPsalmen 2:6, Psalmen 2:12, Psalmen 2:6, Psalmen 2:12, Numeri 31:1714doch vrouwen en kinderen, het vee en alles wat in de stad is, moogt ge allemaal buit maken; en de buit, op uw vijanden veroverd en door Jahweh, uw God, u gegeven, voor uzelf gebruiken.stylusJozua 8:2, Jozua 8:2, Jozua 22:8, Jozua 22:8, Numeri 31:915Zo moet ge doen met alle steden, die ver van u zijn verwijderd, en niet tot de steden van deze naties behoren.stylus16Maar van de steden dezer volken, die Jahweh u tot erfdeel gaat geven, moogt ge geen sterveling in leven laten.stylusJozua 11:14, Jozua 11:14, Numeri 21:2, Numeri 21:3, Numeri 21:217De Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten moet ge met de banvloek slaan, zoals Jahweh, uw God, u bevolen heeft,stylusJesaja 34:5, Jesaja 34:6, Deuteronomium 7:1, Deuteronomium 7:2, Jeremia 50:3518opdat zij u niet verleiden al de gruwelen te bedrijven, die zij voor hun goden verrichten, en gij zoudt zondigen tegen Jahweh, uw God.stylusDeuteronomium 12:30, Deuteronomium 12:31, Deuteronomium 12:30, Deuteronomium 12:31, Exodus 23:3319Wanneer gij gedurende langere tijd een stad moet insluiten, om haar te belegeren en te veroveren, moogt ge haar bomen niet vernielen en de bijl er in slaan; ge moogt er van eten, maar ze niet vellen. De bomen op het veld zijn toch geen mensen, die door u worden belegerd?stylusJohannes 15:2, Johannes 15:8, Mattheüs 3:10, Deuteronomium 26:6, Johannes 15:220Alleen de bomen, waarvan gij zeker weet, dat het geen vruchtbomen zijn, kunt ge vernielen en vellen, om er belegeringswerktuigen van te bouwen tegen de stad, die strijd met u voert, totdat ze valt.stylusDeuteronomium 1:28, Prediker 9:14, Jeremia 33:4, Ezechiël 17:17, Jeremia 6:6