1Onderhoud de maand Abib, en vier het Pascha ter ere van Jahweh, uw God; want in de maand Abib heeft Jahweh uw God, u des nachts uit Egypte geleid.stylusExodus 34:18, Exodus 34:18, Exodus 13:4, Exodus 13:4, Numeri 28:162Dan moet ge uit de kudde en runderen ter ere van Jahweh, uw God, het Pascha slachten op de plaats, die Jahweh zal uitverkiezen, om er zijn Naam te vestigen.stylusDeuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:26, Deuteronomium 12:26, Lucas 22:83Ge moogt niets wat gedesemd is daarbij eten, maar moet daarbij zeven dagen lang ongedesemde broden, het brood der ellende, eten; want overhaast zijt ge uit Egypte getrokken. Zo zult gij u de dag van uw uittocht uit Egypte herinneren al de dagen van uw leven.stylusExodus 12:39, Exodus 12:39, Exodus 12:19, Exodus 12:20, Exodus 34:184Zeven dagen lang mag bij u in heel uw gebied geen gist worden aangetroffen. En van het vlees, dat gij in de avond van de eerste dag offert, mag niets tot de volgende ochtend worden bewaard.stylusExodus 34:25, Exodus 12:10, Exodus 34:25, Exodus 12:10, Exodus 13:75Ook moogt gij het Pascha niet slachten in een van de steden, die Jahweh, uw God, u zal geven;stylusDeuteronomium 16:2, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:6, Deuteronomium 16:2, Deuteronomium 12:56maar op de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om er zijn Naam te vestigen, moet gij tegen de avond, bij het ondergaan der zon, het Pascha slachten, op de tijd, dat gij uit Egypte getrokken zijt.stylusDeuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5, Hebreeën 1:2, Hebreeën 1:3, Mattheüs 26:207Gij moet het toebereiden en eten op de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen; eerst de volgende morgen kunt ge naar uw tenten terugkeren.stylus2 Kronieken 35:13, 2 Kronieken 35:13, 2 Koningen 23:23, Deuteronomium 16:6, Exodus 12:88Zes dagen lang moet ge ongedesemde broden eten, en op de zevende dag moet er een godsdienstige bijeenkomst ter ere van Jahweh, uw God, worden gehouden, en moogt ge geen arbeid verrichten.stylusExodus 13:6, Exodus 13:8, Leviticus 23:36, Numeri 28:17, Numeri 28:199Zeven volle weken moet ge tellen van het ogenblik af, dat ge de sikkel in het koren slaat.stylusExodus 34:22, Exodus 23:16, Exodus 34:22, Exodus 23:16, Handelingen 2:110Dan moet ge het feest der weken voor Jahweh, uw God, vieren, en naar uw vermogen, en naar gelang Jahweh, uw God, u heeft gezegend, een vrijwillige gave schenken.stylus1 Korintiërs 16:2, 1 Korintiërs 16:2, Leviticus 25:26, Maleachi 3:10, Maleachi 3:1111Dan moet ge met uw zoon en uw dochter, uw knecht en uw dienstmaagd, met den leviet, die binnen uw poorten woont, met den vreemdeling, den wees en de weduwe, die in uw midden wonen, vrolijk zijn voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om er zijn Naam te vestigen.stylusDeuteronomium 12:7, Deuteronomium 12:12, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 12:12, Deuteronomium 12:1812Denk er aan, dat ge slaaf zijt geweest in Egypte, en onderhoud al deze bepalingen met de grootste zorg.stylusDeuteronomium 15:15, Deuteronomium 15:15, Efeziërs 2:11, Deuteronomium 16:15, Efeziërs 2:113Het loofhuttenfeest moet ge zeven dagen lang vieren, wanneer gij de vruchten van uw dorsvloer en wijnpers binnenhaalt.stylusJohannes 7:2, Exodus 23:16, Johannes 7:2, Exodus 23:16, Leviticus 23:3414Ge moet vrolijk zijn op uw feest met uw zoon en uw dochter, uw knecht en uw dienstmaagd, met den leviet en den vreemde, den wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen.stylusNehemia 8:9, Nehemia 8:12, Nehemia 8:9, Nehemia 8:12, Deuteronomium 16:1115Zeven dagen lang zult ge feest vieren ter ere van Jahweh, uw God, op de plaats, die Jahweh zal uitverkiezen. Want Jahweh, uw God, zal u zegenen bij heel uw oogst en bij al het werk uwer handen; daarom moet ge vrolijk zijn.stylusLeviticus 23:36, Leviticus 23:42, Leviticus 23:36, Leviticus 23:42, Deuteronomium 30:1616Drie maal per jaar moeten alle mannen voor het aanschijn van Jahweh, uw God, verschijnen op de plaats, die Hij zal uitverkiezen: op het feest van de ongedesemde broden, op het feest der weken, en op het loofhuttenfeest. Maar men mag niet met lege handen voor Jahweh verschijnen;stylusPsalmen 96:8, Psalmen 96:8, Spreuken 3:9, Spreuken 3:10, Spreuken 3:917doch iedereen moet geven naar vermogen en naar de zegen, die Jahweh, uw God, u geschonken heeft.stylus2 Korintiërs 9:6, 2 Korintiërs 9:7, 2 Korintiërs 9:6, 2 Korintiërs 9:7, Deuteronomium 16:1018Ge moet in al uw steden, die Jahweh, uw God, aan uw stammen zal geven, rechters en ambtslieden over u aanstellen, die voor het volk een rechtvaardig oordeel zullen vellen.stylus1 Kronieken 23:4, 1 Kronieken 23:4, Romeinen 13:1, Romeinen 13:6, Romeinen 13:119Ge moogt het recht niet verkrachten, geen aanzien van personen laten gelden, en geen geschenken aannemen; want geschenken verblinden de ogen der wijzen, en verdraaien de woorden der rechtvaardigen.stylusExodus 23:2, Leviticus 19:15, Exodus 23:2, Leviticus 19:15, Spreuken 17:2320Voor gerechtigheid, en voor gerechtigheid alleen moet ge ijveren, opdat ge moogt leven en het land moogt bezitten, dat Jahweh, uw God, u gaat geven.stylusFilippenzen 4:8, Micha 6:8, Ezechiël 18:9, Romeinen 10:5, Ezechiël 18:521Ge moogt geen gewijde bomen planten, van welke soort dan ook, naast het altaar van Jahweh, uw God, dat gij voor u zult bouwen,stylus2 Kronieken 33:3, 2 Kronieken 33:3, 2 Koningen 17:16, 2 Koningen 17:16, 2 Koningen 21:322noch een wijsteen oprichten, want Jahweh, uw God, haat ze.stylusLeviticus 26:1, Leviticus 26:1, Exodus 20:4, Exodus 20:4, Deuteronomium 12:31