1Om de zeven jaren moet gij kwijtschelding verlenen.stylusDeuteronomium 31:10, Deuteronomium 31:10, Exodus 23:10, Exodus 23:11, Leviticus 25:22Dit is de wet omtrent de kwijtschelding: Iedere schuldeiser moet kwijtschelden, wat hij aan zijn naaste heeft geleend: hij mag zijn naaste en zijn broeder er niet lastig om vallen, omdat een kwijtschelding is afgekondigd ter ere van Jahweh.stylusJakobus 2:13, Lucas 7:42, Jakobus 2:13, Lucas 7:42, Lucas 6:343Een buitenlander moogt ge tot betaling dwingen, maar wat ge bij uw broeder hebt uitstaan, moet ge kwijtschelden.stylusDeuteronomium 23:20, Deuteronomium 23:20, Exodus 22:25, 1 Korintiërs 6:6, 1 Korintiërs 6:74Trouwens er behoeft onder u geen arme te zijn; want Jahweh, uw God, zal u zegenen in het land, dat Jahweh, uw God, u als erfbezit gaat geven,stylusJesaja 58:10, Jesaja 58:11, Jesaja 58:10, Jesaja 58:11, Spreuken 28:275zo ge slechts gewillig luistert naar de stem van Jahweh, uw God, en al die geboden, die ik u heden geef, nauwgezet onderhoudt.stylusDeuteronomium 28:1, Deuteronomium 28:15, Deuteronomium 28:1, Deuteronomium 28:15, Jozua 1:76Want Jahweh, uw God, zal u zegenen, zoals Hij het u heeft beloofd, zodat gij aan vele volken kunt lenen, maar zelf niets behoeft te lenen, en over vele volken zult heersen, maar niet door hen zult worden beheerst.stylusDeuteronomium 28:12, Deuteronomium 28:13, Deuteronomium 28:12, Deuteronomium 28:13, Lucas 6:357Wanneer er onder u in een van uw steden in het land, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, toch een arme medebroeder is, dan moogt gij niet hardvochtig zijn, en uw hand voor uw armen broeder niet gesloten houden.stylus1 Johannes 3:16, 1 Johannes 3:17, Deuteronomium 15:9, 1 Johannes 3:16, 1 Johannes 3:178Gij moet uw hand wijd voor hem openen, en hem bereidwillig lenen, wat hij nodig heeft voor zijn behoefte.stylusLucas 6:34, Mattheüs 5:42, Lucas 6:34, Mattheüs 5:429Zorg er voor, dat ge bij uzelf niet listig berekent: "Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding is nabij", en zo onwillig zoudt worden, uw armen broeder iets te geven. Want hij zou u aanklagen bij Jahweh, en gij zoudt schuldig staan.stylusDeuteronomium 24:15, Deuteronomium 24:15, Mattheüs 20:15, Mattheüs 20:15, Marcus 7:2110Geef hem dus gaarne; laat uw hart niet bezwaard zijn, wanneer gij hem geeft. Want Jahweh, uw God, zal u daarvoor zegenen in al uw werken en in heel uw bedrijf.stylusSpreuken 22:9, Spreuken 22:9, Hebreeën 13:16, Hebreeën 13:16, 1 Timotheüs 6:1811En omdat het in uw land niet zal ontbreken aan armen, gebied ik u: Open uw hand voor uw behoeftigen en armen broeder in uw land!stylusMarcus 14:7, Mattheüs 26:11, Marcus 14:7, Mattheüs 26:11, Johannes 12:812Wanneer uw volksgenoot, een hebreeuwse man of vrouw, zich aan u verkoopt, dan zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar moet ge hem vrijlaten.stylusJeremia 34:14, Jeremia 34:14, Exodus 21:2, Exodus 21:6, Leviticus 25:3913En wanneer ge hem vrijlaat, moogt ge hem niet met lege handen laten vertrekken.stylusSpreuken 3:27, Spreuken 3:28, Maleachi 3:5, Jeremia 22:13, Spreuken 3:2714Gij moet hem ruimschoots bedelen uit uw kudde, van uw dorsvloer en kelder, en hem geven naar mate Jahweh, uw God, u heeft gezegend.stylus1 Korintiërs 16:2, Nehemia 8:10, Spreuken 10:22, Handelingen 20:35, Psalmen 68:1015Denk er aan, dat gij slaaf zijt geweest in het land van Egypte, en dat Jahweh, uw God, u bevrijd heeft; daarom geef ik u thans dit gebod.stylusDeuteronomium 16:12, Deuteronomium 16:12, 1 Johannes 4:9, 1 Johannes 4:11, Jesaja 51:116Maar wanneer hij zegt: "Ik wil niet van u heengaan", omdat hij u en uw huisgezin liefheeft, en het goed bij u heeft,stylusExodus 21:5, Exodus 21:6, Exodus 21:5, Exodus 21:6, Psalmen 40:817dan moet gij een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken; dan is hij voor altijd uw slaaf. Met uw dienstmaagd zult ge hetzelfde doen.stylusLeviticus 25:39, Leviticus 25:42, 1 Samuël 1:22, Leviticus 25:39, Leviticus 25:4218Het mag u niet zwaar vallen, hem de vrijheid te geven. Want de zes jaren, dat hij u diende, heeft hij voor u het dubbele loon van een knecht verdiend; bovendien zal Jahweh, uw God, u zegenen bij al wat gij doet.stylusJesaja 21:16, Lucas 17:7, Lucas 17:8, Jesaja 16:14, Jesaja 21:1619Alle mannelijke eerstelingen, die bij uw rundvee of kudde worden geboren, moet gij Jahweh, uw God, wijden. Ge moogt dus met den eersteling van uw rund geen arbeid verrichten, en den eersteling van uw kudde niet scheren.stylusExodus 13:2, Exodus 13:2, Exodus 13:12, Exodus 13:12, Deuteronomium 16:1420Ge moet ze met uw huisgezin jaarlijks voor het aanschijn van Jahweh, uw God, komen eten, op de plaats, die Jahweh zal uitverkiezen.stylusDeuteronomium 12:17, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 14:23, Deuteronomium 12:1721Maar wanneer het iets scheelt, wanneer het lam is of blind, kortom een of ander lelijk gebrek heeft, dan moogt ge het niet aan Jahweh, uw God, offeren.stylusDeuteronomium 17:1, Maleachi 1:7, Maleachi 1:8, Deuteronomium 17:1, Maleachi 1:722Dan kunt ge er binnen uw poorten van eten, de onreine zowel als de reine, zoals van gazel en van hert.stylusDeuteronomium 12:21, Deuteronomium 12:22, Deuteronomium 12:15, Deuteronomium 12:16, Deuteronomium 12:2123Het bloed moogt ge echter niet nuttigen, maar ge moet het als water op de aarde uitstorten.stylusDeuteronomium 12:16, Deuteronomium 12:16, Deuteronomium 12:23, Leviticus 7:26, Deuteronomium 12:23