1Gij zijt kinderen van Jahweh, uw God! Gij moogt u daarom om een dode niet kerven en u aan uw voorhoofd niet kaal scheren:stylusRomeinen 9:8, Galaten 3:26, Leviticus 21:5, Romeinen 9:8, Galaten 3:262want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd, en dat Jahweh uit alle volken, die op de aardbodem zijn, tot zijn eigen volk heeft verkoren.stylusDeuteronomium 7:6, Deuteronomium 7:6, Leviticus 20:26, Leviticus 20:26, Exodus 19:53Niets wat een gruwel is moogt ge eten.stylusEzechiël 4:14, Ezechiël 4:14, Leviticus 20:25, Romeinen 14:14, Leviticus 11:434De volgende dieren moogt ge dus eten: het rund, het schaap en de geit,stylusLeviticus 11:2, Leviticus 11:45, 1 Koningen 4:23, Handelingen 10:14, Leviticus 11:25het hert, de gazel en het damhert, den steenbok, de antiloop, den wilden os en de klipgeit;stylus6kortom alle viervoetige dieren, die volledig in tweeën gespleten hoeven hebben en tevens herkauwers zijn, moogt gij eten.stylusSpreuken 18:1, 2 Korintiërs 6:17, Psalmen 1:1, Psalmen 1:2, Spreuken 18:17Maar van de dieren, die herkauwen of volledig gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten: de kameel, de haas, de klipdas; want ze zijn wel herkauwend, doch hebben geen gespleten hoeven; ze zijn voor u onrein.stylusMattheüs 7:22, Mattheüs 7:23, 2 Timotheüs 3:5, Leviticus 11:5, 2 Petrus 2:188Evenmin het varken, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken.stylusLeviticus 11:26, Leviticus 11:27, Leviticus 11:26, Leviticus 11:27, Jesaja 66:39Van al wat in het water leeft, moogt ge alles eten, wat vinnen en schubben heeft.stylusLeviticus 11:9, Leviticus 11:12, Leviticus 11:9, Leviticus 11:1210Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, moogt ge niet eten; het is voor u onrein.stylus11Alle reine vogels moogt ge eten.stylus12Maar de volgende moogt ge niet eten: de arend, de lammergier en de aasgier,stylusLeviticus 11:13, Leviticus 11:19, Leviticus 11:13, Leviticus 11:1913de wouw, en de verschillende soorten valken,stylus14alle soorten raven,stylus15de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken,stylusJob 30:29, Job 30:2916de steenuil, de velduil en nachtuil,stylus17de reiger, de stinkgier en de pelikaan,stylus18de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.stylus19Verder zijn alle gevleugelde insekten voor u onrein; ze mogen niet worden gegeten.stylusFilippenzen 3:19, Leviticus 11:20, Leviticus 11:23, Filippenzen 3:19, Leviticus 11:2020Alle reine vogels moogt ge eten.stylus21Gij moogt geen enkel kreng eten. Gij moogt het echter aan den vreemdeling, die binnen uw poorten woont, geven om te eten, of het aan een buitenlander verkopen. Want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd. Gij moogt het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.stylusExodus 23:19, Exodus 23:19, Exodus 34:26, Exodus 34:26, Leviticus 17:1522Gij moet ieder jaar de tienden afzonderen van de hele opbrengst van uw zaad, dat op het veld groeit.stylusNehemia 10:37, Deuteronomium 26:12, Deuteronomium 26:15, Deuteronomium 12:17, Deuteronomium 12:623Deze tienden van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en kudde moet ge voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats eten, die Hij zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen. Zo zult gij Jahweh, uw God, heel uw leven lang leren vrezen.stylusDeuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 4:1024Maar zo de afstand te groot voor u is, en gij het dus niet kunt vervoeren, omdat de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, en omdat Jahweh, uw God, u zo rijk heeft gezegend,stylusDeuteronomium 12:21, Deuteronomium 12:21, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 11:2425dan moet ge het te gelde maken en het geld met u meenemen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen.stylus26Gij kunt met het geld alles kopen wat gij verlangt: runderen, schapen, wijn en sterke drank, kortom alles wat ge begeert, en daar met uw gezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, een maaltijd houden en vrolijk zijn.stylus1 Korintiërs 6:12, 1 Korintiërs 6:13, Psalmen 106:14, Deuteronomium 12:7, Mattheüs 21:1227Ook den leviet, die binnen uw poorten woont, moogt ge niet vergeten, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.stylusNumeri 18:20, Deuteronomium 14:29, Numeri 18:20, Deuteronomium 14:29, Deuteronomium 12:1228Maar om de drie jaren moet ge alle tienden van uw opbrengst in dat jaar naar uw poorten brengen en ze daar laten liggen.stylusDeuteronomium 14:22, Deuteronomium 14:22, Deuteronomium 26:12, Deuteronomium 26:15, Amos 4:429Dan zullen de leviet, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft gekregen, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, ze komen eten en zich verzadigen. Zo zal Jahweh, uw God, u zegenen bij alle arbeid, die gij verricht.stylusDeuteronomium 14:27, Deuteronomium 15:10, Deuteronomium 14:27, Deuteronomium 15:10, Spreuken 19:17