Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Deuteronomium Hoofdstuk 12

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
DEUTERONOMIUM

Deuteronomium 12

1Dit zijn de bepalingen en voorschriften, die gij, zolang gij op aarde leeft, nauwgezet moet volbrengen in het land, dat Jahweh, de God uwer vaderen, u in bezit zal geven.
1 Koningen 8:40, 1 Koningen 8:40, Job 7:1, Job 7:1, Deuteronomium 4:9
2Gij moet alle plaatsen vernielen, waar de volken, die gij zult verdrijven, hun goden vereren: op de hoge bergen, de heuvels en onder iedere lommerrijke boom.
Deuteronomium 7:5, Deuteronomium 7:5, Deuteronomium 7:25, Deuteronomium 7:26, Numeri 33:51
3Hun altaren moet gij verwoesten, hun wijstenen verbrijzelen, hun heilige bomen in het vuur verbranden, de beelden van hun goden stuk slaan en hun naam van die plaats doen verdwijnen.
Numeri 33:52, Richteren 2:2, Numeri 33:52, Richteren 2:2, Zacharia 13:2
4Zó moogt ge Jahweh, uw God, niet vereren,
Leviticus 20:23, Leviticus 20:23, Deuteronomium 20:18, Deuteronomium 20:18, Deuteronomium 12:30
5maar gij moet de plaats bezoeken, die Jahweh, uw God, uit al uw stammen zal uitverkiezen, om zijn Naam daar te vestigen en daar te wonen. Daar zult gij heen gaan,
Deuteronomium 12:11, Deuteronomium 12:11, Deuteronomium 26:2, Deuteronomium 26:2, 2 Kronieken 7:12
6en uw brand- en uw slachtoffers brengen, uw tienden en cijnzen, uw gelofte-offers en vrijwillige gaven, en de eerstelingen van uw runderen en schapen.
Deuteronomium 15:19, Deuteronomium 15:20, Deuteronomium 15:19, Deuteronomium 15:20, Deuteronomium 14:22
7Daar zult gij met uw huisgezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, maaltijd houden en vrolijk zijn over het werk uwer handen, omdat Jahweh, uw God, u heeft gezegend.
Deuteronomium 12:18, Deuteronomium 12:18, Leviticus 23:40, Deuteronomium 14:26, Leviticus 23:40
8Gij moogt dus niet langer meer offeren, zoals ieder van ons hier heden naar eigen goeddunken doet.
Richteren 21:25, Richteren 21:25, Richteren 17:6, Richteren 17:6, Spreuken 21:2
9Want tot nu toe hebt ge het rustoord en het erfdeel niet bereikt, dat Jahweh, uw God, u zal geven.
1 Koningen 8:56, 1 Koningen 8:56, Deuteronomium 25:19, Psalmen 95:11, Deuteronomium 25:19
10Maar wanneer gij over de Jordaan zijt getrokken, en u in het land hebt gevestigd, dat Jahweh u tot erfdeel zal schenken, wanneer Hij u rust heeft verschaft van al uw vijanden in het rond, zodat gij in veiligheid woont,
Jeremia 33:11, Ezechiël 34:28, Jeremia 33:11, Ezechiël 34:28, Deuteronomium 11:31
11dan zult ge naar de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, alles brengen, wat ik u heb bevolen: uw brand- en slachtoffers, uw tienden en cijnzen, en al het puik van uw gelofte-offers, die gij aan Jahweh beloofd hebt.
Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 15:20, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 15:20, Johannes 4:20
12Dan zult ge vrolijk zijn voor het aanschijn van Jahweh, uw God, gij met uw zonen en dochters, uw knechten en dienstmaagden, en met den leviet, die binnen uw poorten woont, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.
Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 26:12, Deuteronomium 10:9, Deuteronomium 26:12
13Zorg er dus voor, dat gij uw brandoffers niet opdraagt op iedere willekeurige plaats;
1 Koningen 15:34, Leviticus 17:2, Leviticus 17:5, Deuteronomium 12:6, 2 Kronieken 15:17
14maar alleen op de plaats, die Jahweh in een uwer stammen zal uitverkiezen, moogt gij uw brandoffers opdragen, en daar alles doen wat ik u heb bevolen.
Deuteronomium 12:11, 2 Korintiërs 5:19, Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:11, 2 Korintiërs 5:19
15Overigens moogt ge slachten en vlees eten, zoveel ge wilt, en van de zegening genieten, die Jahweh, uw God, u binnen al uw poorten zal geven. De onreine zowel als de reine mag daarvan eten, zoals van gazel en van hert.
Deuteronomium 14:5, Deuteronomium 14:5, Deuteronomium 14:26, Deuteronomium 12:20, Deuteronomium 12:23
16Het bloed echter moogt ge niet nuttigen, maar gij moet het als water op de aarde uitstorten.
Genesis 9:4, Genesis 9:4, Deuteronomium 15:23, Deuteronomium 15:23, Deuteronomium 12:23
17Het is niet geoorloofd, binnen uw poorten de tienden van uw koren, van uw most en uw olie te nuttigen, of de eerstelingen van uw runderen en kudde, of iets van uw gelofteoffers, die gij beloofd hebt, of van uw vrijwillige gaven en cijnzen.
Deuteronomium 26:14, Deuteronomium 26:14, Deuteronomium 12:6, Deuteronomium 14:22, Deuteronomium 14:29
18Maar deze moet gij eten voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen: gij met uw zoon en uw dochter, uw knecht en uw dienstmaagd, en met den leviet, die zich binnen uw poorten bevindt; daar moet gij vrolijk zijn voor het aanschijn van Jahweh, uw God, om al het werk uwer handen.
Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 12:7, Deuteronomium 14:23, Deuteronomium 14:23, Deuteronomium 12:5
19Zorg er dan voor den leviet niet te vergeten, zolang gij leeft in uw land.
2 Kronieken 31:4, 2 Kronieken 31:21, 2 Kronieken 31:4, 2 Kronieken 31:21, 2 Kronieken 11:13
20Wanneer dus Jahweh, uw God, uw gebied heeft uitgebreid, zoals Hij u heeft beloofd, en gij zegt: "Ik wil vlees eten", omdat ge er zin in hebt, dan moogt ge vlees eten zoveel ge wilt.
Deuteronomium 19:8, Deuteronomium 19:8, Deuteronomium 11:24, Deuteronomium 11:24, Exodus 34:24
21En zo de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om er zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, dan moogt gij van uw runderen en uw kudde, die Jahweh u heeft gegeven, slachten zoals ik u heb toegestaan, en er binnen uw poorten van eten zoveel ge wilt.
Deuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5, Ezra 6:12, Deuteronomium 16:6, Deuteronomium 16:11
22Ge moogt er van eten, zoals men eet van gazel en van hert; de onreine zowel als de reine mag ervan eten.
Deuteronomium 12:15, Deuteronomium 12:16, Deuteronomium 12:15, Deuteronomium 12:16
23Doch zorg er voor, geen bloed te nuttigen; want het bloed is het leven, en het leven moogt ge niet met het vlees eten.
Leviticus 17:11, Leviticus 17:11, Genesis 9:4, Genesis 9:4, Leviticus 17:13
24Ge moogt het niet nuttigen, maar ge moet het als water op de aarde uitstorten;
Deuteronomium 12:16, Deuteronomium 15:23, Deuteronomium 12:16, Deuteronomium 15:23
25ge moogt het niet nuttigen, opdat het u en uw kinderen na u goed moge gaan, daar gij doet wat recht is in de ogen van Jahweh.
Jesaja 3:10, Deuteronomium 4:40, 1 Koningen 11:38, Exodus 15:26, Jesaja 3:10
26Maar de heilige gaven, die uw eigendom zijn, en uw gelofte-offers moet ge naar de plaats brengen, die Jahweh zal uitverkiezen.
Numeri 18:19, Numeri 5:9, Numeri 5:10, Numeri 18:19, Numeri 5:9
27Bij uw brandoffers moet gij het vlees en het bloed ten offer brengen op het altaar van Jahweh, uw God; maar bij uw slachtoffers moet het bloed op het altaar van Jahweh, uw God, worden uitgegoten, en het vlees door u worden gegeten.
Leviticus 17:11, Leviticus 1:13, Leviticus 1:9, Leviticus 17:11, Leviticus 1:13
28Onderhoud gehoorzaam al wat ik u heb geboden, opdat het u en uw zonen na u voor altijd goed moge gaan, daar gij doet wat goed en recht is in de ogen van Jahweh, uw God.
Johannes 15:14, Johannes 15:10, Deuteronomium 4:40, Johannes 15:14, Johannes 15:10
29En wanneer Jahweh, uw God, de volken, die ge gaat verdrijven, voor u zal hebben uitgeroeid, en gij die volken zult hebben verjaagd en u in hun land hebt gevestigd,
Jozua 23:4, Jozua 23:4, Deuteronomium 19:1, Deuteronomium 19:1, Exodus 23:23
30zorg er dan voor, dat gij u, nadat ze voor uw ogen verdelgd zijn, niet door hun voorbeeld laat verleiden en gij u niet tot hun goden wendt, en zegt: Hoe hebben deze volken hun goden gediend? Zo doe ik het ook!
Jeremia 10:2, Ezechiël 20:32, Jeremia 10:2, Ezechiël 20:32, Deuteronomium 7:16
31Neen, zo moogt ge Jahweh, uw God, niet vereren. Want al wat Jahweh verafschuwt en haat, hebben zij voor hun goden bedreven; zelfs hun zonen en dochters hebben zij voor hun goden in het vuur verbrand.
Jeremia 32:35, Jeremia 32:35, 2 Koningen 21:2, 2 Koningen 17:15, 2 Koningen 17:17
32(13:1) Gij echter moet nauwgezet onderhouden al wat ik u geboden heb, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.
Deuteronomium 4:2, Deuteronomium 4:2, Openbaring 22:18, Openbaring 22:19, Openbaring 22:18

Andere Boeken

DeuteronomiumJozuaRichteren+

Andere Boeken

DeuteronomiumHfst. 12
JozuaRichterenRuth1 Samuël2 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward