1In die tijd sprak Jahweh tot mij: Houw u twee stenen tafelen, zoals de vorige, en kom tot Mij op de berg, na u een ark van hout te hebben vervaardigd.stylusExodus 34:1, Exodus 34:2, Exodus 34:1, Exodus 34:2, Exodus 25:102Dan zal Ik op die tafelen de geboden schrijven, die op de vorige stonden, welke gij hebt verbrijzeld; leg die dan in de ark.stylus1 Koningen 8:9, 1 Koningen 8:9, Deuteronomium 4:13, Exodus 40:20, Exodus 25:163Ik maakte een ark van sjittimhout, hieuw twee stenen tafelen, gelijk aan de vorige, en besteeg de berg met de beide tafelen in mijn hand.stylusExodus 34:4, Exodus 34:4, Exodus 25:5, Exodus 37:1, Exodus 37:94En Jahweh schreef op de tafelen de tien geboden, die Hij er vroeger op had geschreven, en die Hij op de berg uit het vuur aan u had gegeven, toen Hij u bijeen had geroepen. Toen Jahweh ze mij had overgereikt,stylusDeuteronomium 9:10, Deuteronomium 9:10, Exodus 34:28, Exodus 34:28, Deuteronomium 18:165keerde ik om, daalde van de berg af, en legde de tafelen in de ark, die ik gemaakt had; daar bleven zij liggen, zoals Jahweh het mij had bevolen.stylusExodus 40:20, Exodus 34:29, Exodus 40:20, Exodus 34:29, Exodus 25:166De Israëlieten trokken van Beërot-Bene-Jaäkan verder naar Mosera. Daar stierf Aäron en werd hij begraven; zijn zoon Elazar werd priester in zijn plaats.stylusNumeri 33:38, Numeri 33:38, Numeri 20:23, Numeri 20:28, Numeri 20:237Vandaar trokken zij verder naar Goedgóda, en van Goedgóda naar Jotbáta, een land met waterbeken.stylusNumeri 33:32, Numeri 33:34, Numeri 33:32, Numeri 33:348In die tijd zonderde Jahweh de stam van Levi af, om de verbondsark van Jahweh te dragen, om voor het aanschijn van Jahweh te staan, zijn dienst te verrichten en in zijn Naam te zegenen, zoals tot op heden gebeurt.stylusDeuteronomium 21:5, Deuteronomium 21:5, Numeri 4:15, Deuteronomium 18:5, Numeri 4:159Daarom heeft Levi geen deel en geen erfenis met zijn broeders; want Jahweh is zijn erfdeel, zoals Jahweh, uw God, het hem heeft beloofd.stylusNumeri 18:20, Numeri 18:24, Ezechiël 44:28, Deuteronomium 18:1, Deuteronomium 18:210Toen ik dan evenals vroeger veertig dagen en veertig nachten op de berg was gebleven, verhoorde mij Jahweh ook deze keer; Jahweh heeft u niet willen verdelgen.stylusExodus 34:28, Deuteronomium 9:18, Deuteronomium 9:19, Deuteronomium 9:25, Exodus 34:2811Maar Jahweh sprak tot mij: Sta op, trek op aan de spits van het volk; dan kunnen ze het land in bezit gaan nemen, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, hun te geven.stylusExodus 32:34, Exodus 33:1, Exodus 32:34, Exodus 33:112Nu dan Israël, wat vraagt Jahweh, uw God, anders van u, dan dat gij Jahweh, uw God vreest, dat gij al zijn wegen bewandelt en Hem bemint, dat gij Jahweh, uw God, met heel uw hart en heel uw ziel dient,stylusDeuteronomium 6:5, Deuteronomium 6:5, Micha 6:8, Micha 6:8, Lucas 10:2713en de geboden en bepalingen van Jahweh onderhoudt, die ik u heden geef, opdat het u goed moge gaan?stylusJeremia 32:39, Jeremia 32:39, Deuteronomium 6:24, Deuteronomium 6:24, Jakobus 1:2514Waarachtig, aan Jahweh, uw God, behoren de hemel met de hemel der hemelen, en de aarde met al wat daarop is;stylusExodus 19:5, Exodus 19:5, Psalmen 24:1, Psalmen 24:1, Psalmen 115:1615maar toch heeft Jahweh slechts in uw vaderen zijn welbehagen gesteld, en hen zo liefgehad, dat Hij u, hun nageslacht, uit alle volken heeft uitverkoren, zoals heden geschied is.stylusDeuteronomium 4:37, Deuteronomium 4:37, Deuteronomium 7:7, Deuteronomium 7:8, Numeri 14:816Besnijdt daarom de voorhuid uws harten, en weest niet langer hardnekkig!stylusJeremia 4:4, Jeremia 4:4, Deuteronomium 30:6, Deuteronomium 30:6, Leviticus 26:4117Want Jahweh, uw God, is de God der goden en de Heer der heren: de grote, sterke en ontzagwekkende God, die geen aanzien des persoons kent, en geen geschenken aanvaardt.stylusHandelingen 10:34, Handelingen 10:34, Romeinen 2:11, Romeinen 2:11, Nehemia 9:3218Hij verschaft recht aan wees en weduwe, Hij bemint den vreemdeling, zodat Hij hem voedsel en kleding verschaft.stylusPsalmen 146:9, Psalmen 146:9, Psalmen 68:5, Psalmen 68:5, Jeremia 49:1119Bemint dus den vreemdeling; want zelf waart gij vreemdeling in het land van Egypte.stylusExodus 22:21, Leviticus 19:33, Leviticus 19:34, Exodus 22:21, Leviticus 19:3320Vrees Jahweh, uw God; dien Hem, hecht u aan Hem, en zweer alleen bij zijn Naam.stylusDeuteronomium 6:13, Deuteronomium 6:13, Deuteronomium 13:4, Deuteronomium 13:4, Lucas 4:821Hij is uw glorie, Hij is uw God, die voor u die machtige en ontzagwekkende dingen gewrocht heeft, welke gij met eigen ogen aanschouwd hebt.stylusJeremia 17:14, Jeremia 17:14, Psalmen 106:21, Psalmen 106:22, Psalmen 106:2122Met zeventig personen zakten uw vaderen af naar Egypte, en nu heeft Jahweh, uw God, u talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.stylusGenesis 46:27, Genesis 46:27, Genesis 15:5, Exodus 1:5, Genesis 15:5