Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 46

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 46

1En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.
Genesis 26:22, Genesis 26:25, Genesis 28:13, Genesis 31:42, Genesis 28:10
2En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
Genesis 15:1, Job 33:14, Job 33:15, Genesis 15:1, Job 33:14
3En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.
Genesis 12:2, Deuteronomium 26:5, Genesis 12:2, Deuteronomium 26:5, Jesaja 43:1
4Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
Exodus 3:8, Exodus 3:8, Genesis 50:1, Genesis 48:21, Genesis 28:15
5Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.
Genesis 45:19, Genesis 45:21, Genesis 45:19, Genesis 45:21, Genesis 45:27
6En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;
Handelingen 7:15, Psalmen 105:23, Jesaja 52:4, Jozua 24:4, Handelingen 7:15
7Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
8En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.
Exodus 1:1, Exodus 1:5, 1 Kronieken 2:1, 1 Kronieken 2:55, Exodus 1:1
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
10En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.
Exodus 6:15, Exodus 6:15, Genesis 29:33, Genesis 29:33, Numeri 1:6
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
Genesis 29:34, Genesis 29:34, 1 Kronieken 2:1, Deuteronomium 33:8, Deuteronomium 33:11
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
1 Kronieken 4:21, Genesis 38:7, Genesis 29:35, Genesis 38:10, 1 Kronieken 4:21
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
1 Kronieken 12:32, 1 Kronieken 12:32, Deuteronomium 33:18, Genesis 35:23, Genesis 30:14
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
Genesis 49:13, 1 Kronieken 2:1, Numeri 1:9, Numeri 26:26, Numeri 26:27
15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.
Genesis 30:17, Genesis 30:21, Genesis 29:32, Genesis 29:35, Genesis 30:17
16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
Numeri 26:15, Numeri 26:17, Numeri 26:15, Numeri 26:17, Genesis 30:11
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël.
Genesis 30:13, Genesis 49:20, Genesis 30:13, Genesis 49:20, Numeri 26:44
18Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.
Genesis 29:24, Genesis 29:24, Genesis 30:9, Genesis 30:13, Genesis 35:26
19De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.
Genesis 44:27, Genesis 44:27, Genesis 39:1, Genesis 40:23, Genesis 37:1
20En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.
Genesis 41:50, Genesis 41:52, Genesis 41:50, Genesis 41:52, Genesis 41:45
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
1 Kronieken 7:6, 1 Kronieken 7:12, 1 Kronieken 7:6, 1 Kronieken 7:12, Genesis 49:27
22Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.
23En de zonen van Dan: Chusim.
Genesis 49:16, Genesis 49:17, 1 Kronieken 7:12, Numeri 1:12, Genesis 30:6
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
1 Kronieken 7:13, 1 Kronieken 7:13, Numeri 1:15, Genesis 35:25, 1 Kronieken 2:2
25Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.
Genesis 29:29, Genesis 29:29, Genesis 35:22, Genesis 30:3, Genesis 30:8
26Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
Exodus 1:5, Exodus 1:5, Richteren 8:30, Genesis 35:11, Richteren 8:30
27En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.
Handelingen 7:14, Handelingen 7:14, Deuteronomium 10:22, Exodus 1:5, Deuteronomium 10:22
28En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.
Genesis 45:10, Genesis 45:10, Genesis 31:21, Genesis 49:8, Genesis 44:16
29Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.
Genesis 45:14, Genesis 45:15, Genesis 33:4, Lucas 15:20, Genesis 45:14
30En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!
Lucas 2:29, Lucas 2:30, Lucas 2:29, Lucas 2:30, Genesis 45:28
31Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.
Handelingen 18:3, Hebreeën 2:11, Genesis 47:1, Genesis 47:3, Genesis 45:16
32En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.
Genesis 47:3, Genesis 47:3, Psalmen 78:70, Psalmen 78:72, Jesaja 40:11
33Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?
Genesis 46:32, Genesis 46:32, Genesis 47:2, Genesis 47:4, Jona 1:8
34Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.
Exodus 8:26, Exodus 8:26, Genesis 43:32, Genesis 43:32, Genesis 37:12

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 46
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward