1En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.stylusGenesis 26:22, Genesis 26:25, Genesis 28:13, Genesis 31:42, Genesis 28:102En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!stylusGenesis 15:1, Job 33:14, Job 33:15, Genesis 15:1, Job 33:143En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.stylusGenesis 12:2, Deuteronomium 26:5, Genesis 12:2, Deuteronomium 26:5, Jesaja 43:14Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.stylusExodus 3:8, Exodus 3:8, Genesis 50:1, Genesis 48:21, Genesis 28:155Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.stylusGenesis 45:19, Genesis 45:21, Genesis 45:19, Genesis 45:21, Genesis 45:276En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;stylusHandelingen 7:15, Psalmen 105:23, Jesaja 52:4, Jozua 24:4, Handelingen 7:157Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.stylus8En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.stylusExodus 1:1, Exodus 1:5, 1 Kronieken 2:1, 1 Kronieken 2:55, Exodus 1:19En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.stylus10En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.stylusExodus 6:15, Exodus 6:15, Genesis 29:33, Genesis 29:33, Numeri 1:611En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.stylusGenesis 29:34, Genesis 29:34, 1 Kronieken 2:1, Deuteronomium 33:8, Deuteronomium 33:1112En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.stylus1 Kronieken 4:21, Genesis 38:7, Genesis 29:35, Genesis 38:10, 1 Kronieken 4:2113En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.stylus1 Kronieken 12:32, 1 Kronieken 12:32, Deuteronomium 33:18, Genesis 35:23, Genesis 30:1414En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.stylusGenesis 49:13, 1 Kronieken 2:1, Numeri 1:9, Numeri 26:26, Numeri 26:2715Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.stylusGenesis 30:17, Genesis 30:21, Genesis 29:32, Genesis 29:35, Genesis 30:1716En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.stylusNumeri 26:15, Numeri 26:17, Numeri 26:15, Numeri 26:17, Genesis 30:1117En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël.stylusGenesis 30:13, Genesis 49:20, Genesis 30:13, Genesis 49:20, Numeri 26:4418Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.stylusGenesis 29:24, Genesis 29:24, Genesis 30:9, Genesis 30:13, Genesis 35:2619De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.stylusGenesis 44:27, Genesis 44:27, Genesis 39:1, Genesis 40:23, Genesis 37:120En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.stylusGenesis 41:50, Genesis 41:52, Genesis 41:50, Genesis 41:52, Genesis 41:4521En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.stylus1 Kronieken 7:6, 1 Kronieken 7:12, 1 Kronieken 7:6, 1 Kronieken 7:12, Genesis 49:2722Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.stylus23En de zonen van Dan: Chusim.stylusGenesis 49:16, Genesis 49:17, 1 Kronieken 7:12, Numeri 1:12, Genesis 30:624En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.stylus1 Kronieken 7:13, 1 Kronieken 7:13, Numeri 1:15, Genesis 35:25, 1 Kronieken 2:225Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.stylusGenesis 29:29, Genesis 29:29, Genesis 35:22, Genesis 30:3, Genesis 30:826Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.stylusExodus 1:5, Exodus 1:5, Richteren 8:30, Genesis 35:11, Richteren 8:3027En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.stylusHandelingen 7:14, Handelingen 7:14, Deuteronomium 10:22, Exodus 1:5, Deuteronomium 10:2228En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.stylusGenesis 45:10, Genesis 45:10, Genesis 31:21, Genesis 49:8, Genesis 44:1629Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.stylusGenesis 45:14, Genesis 45:15, Genesis 33:4, Lucas 15:20, Genesis 45:1430En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!stylusLucas 2:29, Lucas 2:30, Lucas 2:29, Lucas 2:30, Genesis 45:2831Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.stylusHandelingen 18:3, Hebreeën 2:11, Genesis 47:1, Genesis 47:3, Genesis 45:1632En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.stylusGenesis 47:3, Genesis 47:3, Psalmen 78:70, Psalmen 78:72, Jesaja 40:1133Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?stylusGenesis 46:32, Genesis 46:32, Genesis 47:2, Genesis 47:4, Jona 1:834Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.stylusExodus 8:26, Exodus 8:26, Genesis 43:32, Genesis 43:32, Genesis 37:12