1Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.stylusGenesis 45:10, Genesis 46:31, Genesis 45:10, Genesis 46:31, Genesis 46:282En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao’s aangezicht.stylusHandelingen 7:13, Handelingen 7:13, Judas 1:24, Kolossenzen 1:28, 2 Korintiërs 4:143Toen zeide Farao tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.stylusGenesis 46:33, Genesis 46:34, Genesis 46:33, Genesis 46:34, Amos 7:144Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!stylusGenesis 46:34, Genesis 46:34, Genesis 15:13, Deuteronomium 26:5, Genesis 15:135Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;stylus6Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.stylusExodus 18:21, Genesis 47:11, Exodus 18:21, Genesis 47:11, Spreuken 22:297En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao’s aangezicht; en Jakob zegende Farao.stylusGenesis 47:10, Genesis 47:10, Mattheüs 26:26, 2 Koningen 4:29, 2 Samuël 14:228En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!stylus9En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.stylusPsalmen 39:12, Psalmen 39:12, Genesis 35:28, Genesis 35:28, Exodus 7:710En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao’s aangezicht.stylusGenesis 47:7, Genesis 47:7, 2 Samuël 8:10, Deuteronomium 33:1, 2 Samuël 19:3911En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.stylusExodus 1:11, Genesis 47:6, Exodus 12:37, Exodus 1:11, Genesis 47:612En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.stylusGenesis 45:11, Genesis 45:11, 1 Timotheüs 4:8, Ruth 4:15, Genesis 47:2413En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaän raasden vanwege dien honger.stylusHandelingen 7:11, Handelingen 7:11, Jeremia 9:12, Klaagliederen 4:9, Joël 1:1014Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao’s huis.stylusGenesis 41:56, Genesis 41:56, Lucas 16:10, Lucas 16:12, Lucas 16:1015Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;stylus1 Samuël 21:3, Genesis 47:18, Genesis 47:19, 1 Samuël 25:8, Psalmen 37:316En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.stylusFilippenzen 4:8, Kolossenzen 4:5, 1 Korintiërs 10:32, Daniël 6:5, Daniël 6:717Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.stylusJob 2:4, Jesaja 31:1, 1 Koningen 10:28, Exodus 9:3, Mattheüs 6:2418Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons land.stylusJeremia 38:9, 2 Koningen 6:26, Jeremia 38:9, 2 Koningen 6:2619Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!stylusJob 2:4, Nehemia 5:2, Nehemia 5:3, Job 2:4, Nehemia 5:220Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Farao’s eigen.stylus21En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van Egypte, tot het andere uiterste deszelven.stylusGenesis 41:48, Genesis 41:4822Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.stylusEzra 7:24, Ezra 7:24, Deuteronomium 12:19, Genesis 41:45, 1 Korintiërs 9:1323Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.stylus2 Korintiërs 9:10, Genesis 45:6, Jesaja 28:24, Jesaja 28:25, Jesaja 55:1024Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.stylusGenesis 41:34, Genesis 41:34, Psalmen 112:5, Psalmen 41:1, Psalmen 112:525En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao’s knechten zijn.stylusGenesis 33:15, Genesis 33:15, Genesis 41:45, Genesis 45:6, Genesis 45:826Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.stylusGenesis 47:22, Genesis 47:22, Ezechiël 7:24, Ezechiël 7:2427Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.stylusGenesis 46:3, Genesis 46:3, Exodus 1:7, Exodus 1:7, Handelingen 7:1728En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.stylusPsalmen 90:10, Psalmen 90:10, Psalmen 90:12, Genesis 37:2, Psalmen 119:8429Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indiën ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;stylusDeuteronomium 31:14, Genesis 24:49, Genesis 24:2, Deuteronomium 31:14, Genesis 24:4930Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!stylusGenesis 49:29, Genesis 49:32, Genesis 49:29, Genesis 49:32, Genesis 25:931En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.stylus1 Koningen 1:47, 1 Koningen 1:47, Hebreeën 11:21, Genesis 24:3, Hebreeën 11:21