Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Deuteronomium Hoofdstuk 1

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
DEUTERONOMIUM

Deuteronomium 1

1Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
1 Samuël 25:1, 1 Samuël 25:1, Jozua 22:7, Jozua 22:7, Numeri 35:14
2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-barnea.
Numeri 13:26, Numeri 13:26, Numeri 32:8, Numeri 32:8, Deuteronomium 9:23
3En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls, naar alles wat hem de Heere aan hen bevolen had;
Numeri 33:38, Numeri 33:38, Deuteronomium 4:1, Deuteronomium 4:2, Deuteronomium 4:1
4Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edrei.
Numeri 21:21, Numeri 21:35, Numeri 21:21, Numeri 21:35, Jozua 13:10
5Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:
Deuteronomium 31:9, Deuteronomium 4:8, Deuteronomium 32:46, Deuteronomium 17:18, Deuteronomium 17:19
6De Heere, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.
Exodus 3:1, Exodus 3:1, Numeri 10:11, Numeri 10:13, Exodus 19:1
7Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens der zee; het land der Kanaänieten, en den Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.
Deuteronomium 11:24, Deuteronomium 11:24, Jozua 10:40, Jozua 10:40, 1 Kronieken 18:3
8Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de Heere aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
Genesis 15:18, Genesis 12:7, Genesis 15:18, Genesis 12:7, Genesis 26:3
9En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.
Exodus 18:18, Exodus 18:18, Numeri 11:17, Numeri 11:17, Numeri 11:11
10De Heere, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijt heden als de sterren des hemels in menigte.
Deuteronomium 10:22, Deuteronomium 10:22, Genesis 22:17, Exodus 32:13, Genesis 15:5
11De Heere, uwer vaderen God, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!
Psalmen 115:14, Psalmen 115:14, Genesis 22:17, Genesis 22:17, Genesis 26:4
12Hoe zoude ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?
2 Korintiërs 3:5, 2 Korintiërs 3:5, 1 Koningen 3:7, 1 Koningen 3:9, 2 Korintiërs 2:16
13Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.
Exodus 18:21, Exodus 18:21, Handelingen 1:21, Handelingen 1:23, Numeri 11:16
14Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.
15Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.
Deuteronomium 16:18, Exodus 18:25, Exodus 18:26, Deuteronomium 16:18, Exodus 18:25
16En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.
Johannes 7:24, Johannes 7:24, Deuteronomium 16:18, Deuteronomium 16:19, Exodus 22:21
17Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
Deuteronomium 16:19, Deuteronomium 16:19, Exodus 18:26, Jakobus 2:9, Exodus 18:26
18Alzo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen.
Handelingen 20:20, Mattheüs 28:20, Deuteronomium 12:28, Handelingen 20:27, Deuteronomium 4:5
19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de Heere, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
Deuteronomium 1:2, Deuteronomium 1:2, Jeremia 2:6, Deuteronomium 8:15, Jeremia 2:6
20Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de Heere, onze God, ons geven zal.
Deuteronomium 1:7, Deuteronomium 1:8, Deuteronomium 1:7, Deuteronomium 1:8
21Ziet, de Heere, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.
Jozua 1:9, Jozua 1:9, Psalmen 46:1, Hebreeën 13:6, Numeri 14:8
22Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.
Numeri 13:1, Numeri 13:20, Numeri 13:1, Numeri 13:20
23Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elken stam een man.
Numeri 13:3, Numeri 13:33, Numeri 13:3, Numeri 13:33
24Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelve.
Numeri 13:21, Numeri 13:27, Numeri 13:21, Numeri 13:27, Jozua 2:1
25En zij namen van de vrucht des lands in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de Heere, onze God, ons geven zal, is goed.
26Doch gij wildet niet optrekken; maar gij waart den mond des Heeren uws Gods, wederspannig.
Numeri 14:1, Numeri 14:4, Numeri 14:1, Numeri 14:4, Handelingen 7:51
27En gij murmureerdet in uw tenten, en zeidet: Omdat de Heere ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.
Deuteronomium 9:28, Deuteronomium 9:28, Numeri 14:3, Psalmen 106:25, Numeri 14:3
28Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.
Deuteronomium 9:1, Deuteronomium 9:2, Numeri 13:28, Numeri 13:33, Deuteronomium 9:1
29Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.
30De Heere, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.
Exodus 14:14, Exodus 14:14, Nehemia 4:20, Nehemia 4:20, Romeinen 8:37
31En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de Heere uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.
Jesaja 46:3, Jesaja 46:4, Jesaja 46:3, Jesaja 46:4, Hosea 11:3
32Maar door dit woord geloofdet gij niet aan den Heere, uw God.
Psalmen 106:24, Psalmen 106:24, Judas 1:5, Judas 1:5, Hebreeën 3:18
33Die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u den weg wees, waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.
Numeri 10:33, Numeri 10:33, Psalmen 78:14, Psalmen 78:14, Nehemia 9:12
34Als nu de Heere de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:
Numeri 14:22, Numeri 14:30, Numeri 14:22, Numeri 14:30, Deuteronomium 2:14
35Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
Psalmen 95:11, Psalmen 95:11
36Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft den Heere te volgen.
Numeri 14:24, Numeri 14:24, Jozua 14:6, Jozua 14:14, Numeri 32:12
37Ook vertoornde zich de Heere op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen.
Deuteronomium 4:21, Numeri 20:12, Deuteronomium 4:21, Numeri 20:12, Deuteronomium 34:4
38Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven.
Deuteronomium 3:28, Deuteronomium 3:28, Deuteronomium 31:7, Deuteronomium 31:8, Numeri 14:30
39En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.
Jesaja 7:15, Jesaja 7:16, Jesaja 7:15, Jesaja 7:16, Numeri 14:3
40Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.
Numeri 14:25, Numeri 14:25
41Toen antwoorddet gij, en zeidet tot mij: Wij hebben tegen den Heere gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat de Heere, onze God, ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, en willens waart, om naar het gebergte henen op te trekken,
Numeri 14:39, Numeri 14:45, Numeri 14:39, Numeri 14:45, Numeri 22:34
42Zo zeide de Heere tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet.
Jozua 7:8, Jozua 7:13, Jozua 7:8, Jozua 7:13, Numeri 14:41
43Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des Heeren wederspannig, en handeldet trotselijk, en toogt op naar het gebergte.
Numeri 14:44, Numeri 14:44, Romeinen 8:7, Romeinen 8:8, Handelingen 7:51
44Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seir tot Horma toe.
Psalmen 118:12, Psalmen 118:12, Numeri 14:45, Numeri 14:45, Numeri 21:3
45Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des Heeren, zo verhoorde de Heere uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.
Hebreeën 12:17, Hebreeën 12:17, Psalmen 78:34, Psalmen 78:34
46Alzo bleeft gij in Kades vele dagen, naar de dagen, dat gij er bleeft.
Numeri 20:1, Numeri 20:1, Numeri 20:22, Numeri 20:22, Numeri 14:34

Andere Boeken

DeuteronomiumJozuaRichteren+

Andere Boeken

DeuteronomiumHfst. 1
JozuaRichterenRuth1 Samuël2 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward