Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 37

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 37

1En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.
Genesis 17:8, Genesis 17:8, Genesis 23:4, Genesis 23:4, Genesis 28:4
2Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.
Genesis 35:25, Genesis 35:26, Genesis 35:25, Genesis 35:26, Genesis 35:22
3En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.
Genesis 37:32, Johannes 13:22, Johannes 13:23, 2 Samuël 13:18, Genesis 37:32
4Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.
Genesis 27:41, Genesis 27:41, 1 Johannes 4:20, 1 Johannes 3:12, Psalmen 69:4
5Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.
Genesis 28:12, Genesis 28:12, Johannes 17:14, Genesis 42:9, Joël 2:28
6En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.
Genesis 44:18, Genesis 44:18, Richteren 9:7, Richteren 9:7
7En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.
Genesis 42:6, Genesis 44:14, Genesis 42:6, Genesis 44:14, Genesis 43:26
8Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.
1 Samuël 10:27, Handelingen 7:35, 1 Samuël 10:27, Handelingen 7:35, Psalmen 2:3
9En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.
Handelingen 7:9, Handelingen 7:14, Handelingen 7:9, Handelingen 7:14, Genesis 37:7
10En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?
Genesis 27:29, Genesis 27:29, Filippenzen 2:10, Filippenzen 2:11, Genesis 37:7
11Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.
Handelingen 7:9, Handelingen 7:9, Lucas 2:19, Lucas 2:51, Lucas 2:19
12En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.
Genesis 34:25, Genesis 34:31, Genesis 37:1, Genesis 33:18, Genesis 34:25
13Zo zeide Israël tot Jozef: Weiden uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!
Mattheüs 10:16, Genesis 22:1, 1 Samuël 17:17, 1 Samuël 17:20, Lucas 20:13
14En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
Genesis 35:27, Genesis 35:27, Psalmen 125:5, Lucas 19:42, Psalmen 125:5
15En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?
Richteren 4:22, Richteren 4:22, Genesis 21:14, Johannes 18:7, Johannes 4:27
16En hij zeide: Ik zoek mijn broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.
Lucas 19:10, Lucas 19:10, Hooglied 1:7, Hooglied 1:7
17Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.
2 Koningen 6:13, 2 Koningen 6:13
18En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.
Handelingen 23:12, Handelingen 23:12, Psalmen 37:32, Marcus 14:1, Psalmen 37:12
19En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meesterdromer aan!
Genesis 28:12, Genesis 28:12, Genesis 49:23, Genesis 37:5, Genesis 37:11
20Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.
Titus 3:3, Spreuken 27:4, Titus 3:3, Spreuken 27:4, Mattheüs 2:2
21Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.
Genesis 42:22, Genesis 42:22, Mattheüs 10:28, Genesis 9:5, Jozua 10:28
22Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.
Exodus 24:11, Genesis 42:22, Deuteronomium 13:9, Genesis 22:12, Handelingen 12:1
23En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.
Genesis 37:3, Genesis 42:21, Genesis 37:31, Genesis 37:33, Mattheüs 27:28
24En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.
Jeremia 38:6, Jeremia 38:6, Psalmen 130:1, Psalmen 130:2, Zacharia 9:11
25Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
Genesis 43:11, Genesis 37:28, Genesis 43:11, Genesis 37:28, Jeremia 8:22
26Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?
Genesis 37:20, Genesis 37:20, Genesis 4:10, Genesis 4:10, Mattheüs 16:26
27Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.
Genesis 42:21, Mattheüs 16:26, Genesis 42:21, Mattheüs 16:26, 1 Samuël 18:17
28Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.
Handelingen 7:9, Psalmen 105:17, Handelingen 7:9, Psalmen 105:17, Genesis 25:2
29Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.
Genesis 37:34, Job 1:20, Genesis 37:34, Job 1:20, Genesis 44:13
30En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan?
Genesis 42:13, Genesis 42:13, Genesis 42:32, Jeremia 31:15, Genesis 42:32
31Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed.
Genesis 37:23, Genesis 37:23, Genesis 37:3, Genesis 37:3, Spreuken 28:13
32En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.
Lucas 15:30, Genesis 44:20, Genesis 44:23, Lucas 15:30, Genesis 44:20
33En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!
Genesis 37:20, Genesis 44:28, Genesis 37:20, Genesis 44:28, Spreuken 14:15
34Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
Genesis 37:29, Genesis 37:29, 2 Samuël 3:31, 2 Samuël 3:31, Nehemia 9:1
35En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.
2 Samuël 12:17, Genesis 42:38, Job 2:11, 2 Samuël 12:17, Genesis 42:38
36En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten.
Genesis 37:28, Genesis 40:4, Genesis 37:28, Genesis 40:4, Jesaja 56:3

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 37
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward