1En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.stylusGenesis 17:8, Genesis 17:8, Genesis 23:4, Genesis 23:4, Genesis 28:42Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.stylusGenesis 35:25, Genesis 35:26, Genesis 35:25, Genesis 35:26, Genesis 35:223En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.stylusGenesis 37:32, Johannes 13:22, Johannes 13:23, 2 Samuël 13:18, Genesis 37:324Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.stylusGenesis 27:41, Genesis 27:41, 1 Johannes 4:20, 1 Johannes 3:12, Psalmen 69:45Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.stylusGenesis 28:12, Genesis 28:12, Johannes 17:14, Genesis 42:9, Joël 2:286En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.stylusGenesis 44:18, Genesis 44:18, Richteren 9:7, Richteren 9:77En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.stylusGenesis 42:6, Genesis 44:14, Genesis 42:6, Genesis 44:14, Genesis 43:268Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.stylus1 Samuël 10:27, Handelingen 7:35, 1 Samuël 10:27, Handelingen 7:35, Psalmen 2:39En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.stylusHandelingen 7:9, Handelingen 7:14, Handelingen 7:9, Handelingen 7:14, Genesis 37:710En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?stylusGenesis 27:29, Genesis 27:29, Filippenzen 2:10, Filippenzen 2:11, Genesis 37:711Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.stylusHandelingen 7:9, Handelingen 7:9, Lucas 2:19, Lucas 2:51, Lucas 2:1912En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.stylusGenesis 34:25, Genesis 34:31, Genesis 37:1, Genesis 33:18, Genesis 34:2513Zo zeide Israël tot Jozef: Weiden uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!stylusMattheüs 10:16, Genesis 22:1, 1 Samuël 17:17, 1 Samuël 17:20, Lucas 20:1314En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.stylusGenesis 35:27, Genesis 35:27, Psalmen 125:5, Lucas 19:42, Psalmen 125:515En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?stylusRichteren 4:22, Richteren 4:22, Genesis 21:14, Johannes 18:7, Johannes 4:2716En hij zeide: Ik zoek mijn broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.stylusLucas 19:10, Lucas 19:10, Hooglied 1:7, Hooglied 1:717Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.stylus2 Koningen 6:13, 2 Koningen 6:1318En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.stylusHandelingen 23:12, Handelingen 23:12, Psalmen 37:32, Marcus 14:1, Psalmen 37:1219En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meesterdromer aan!stylusGenesis 28:12, Genesis 28:12, Genesis 49:23, Genesis 37:5, Genesis 37:1120Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.stylusTitus 3:3, Spreuken 27:4, Titus 3:3, Spreuken 27:4, Mattheüs 2:221Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.stylusGenesis 42:22, Genesis 42:22, Mattheüs 10:28, Genesis 9:5, Jozua 10:2822Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.stylusExodus 24:11, Genesis 42:22, Deuteronomium 13:9, Genesis 22:12, Handelingen 12:123En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.stylusGenesis 37:3, Genesis 42:21, Genesis 37:31, Genesis 37:33, Mattheüs 27:2824En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.stylusJeremia 38:6, Jeremia 38:6, Psalmen 130:1, Psalmen 130:2, Zacharia 9:1125Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.stylusGenesis 43:11, Genesis 37:28, Genesis 43:11, Genesis 37:28, Jeremia 8:2226Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?stylusGenesis 37:20, Genesis 37:20, Genesis 4:10, Genesis 4:10, Mattheüs 16:2627Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.stylusGenesis 42:21, Mattheüs 16:26, Genesis 42:21, Mattheüs 16:26, 1 Samuël 18:1728Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.stylusHandelingen 7:9, Psalmen 105:17, Handelingen 7:9, Psalmen 105:17, Genesis 25:229Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.stylusGenesis 37:34, Job 1:20, Genesis 37:34, Job 1:20, Genesis 44:1330En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan?stylusGenesis 42:13, Genesis 42:13, Genesis 42:32, Jeremia 31:15, Genesis 42:3231Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed.stylusGenesis 37:23, Genesis 37:23, Genesis 37:3, Genesis 37:3, Spreuken 28:1332En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.stylusLucas 15:30, Genesis 44:20, Genesis 44:23, Lucas 15:30, Genesis 44:2033En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!stylusGenesis 37:20, Genesis 44:28, Genesis 37:20, Genesis 44:28, Spreuken 14:1534Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.stylusGenesis 37:29, Genesis 37:29, 2 Samuël 3:31, 2 Samuël 3:31, Nehemia 9:135En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.stylus2 Samuël 12:17, Genesis 42:38, Job 2:11, 2 Samuël 12:17, Genesis 42:3836En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten.stylusGenesis 37:28, Genesis 40:4, Genesis 37:28, Genesis 40:4, Jesaja 56:3