1En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.stylus2 Koningen 4:8, 1 Samuël 22:1, 2 Koningen 4:8, 1 Samuël 22:1, Genesis 19:22En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaänietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.stylus1 Kronieken 2:3, 1 Kronieken 2:3, Genesis 24:3, Genesis 24:3, Genesis 6:23En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.stylusNumeri 26:19, Genesis 46:12, Numeri 26:19, Genesis 46:124Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.stylusGenesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 26:19, Numeri 26:195En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.stylusNumeri 26:20, Numeri 26:20, 1 Kronieken 4:21, Genesis 38:11, Genesis 46:126Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.stylusGenesis 24:3, Genesis 21:21, Mattheüs 1:3, Genesis 24:3, Genesis 21:217Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren ogen; daarom doodde hem de Heere.stylus1 Kronieken 2:3, 1 Kronieken 2:3, Genesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 26:198Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.stylusMattheüs 22:23, Mattheüs 22:27, Mattheüs 22:23, Mattheüs 22:27, Deuteronomium 25:59Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.stylusJakobus 3:16, Jakobus 4:5, Titus 3:3, Jakobus 3:16, Jakobus 4:510En het was kwaad in des Heeren ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.stylusGenesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 11:1, Numeri 26:19, Numeri 11:111Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook deze sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.stylusLeviticus 22:13, Leviticus 22:13, Ruth 1:11, Ruth 1:13, Ruth 1:1112Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.stylusJozua 15:10, Jozua 15:10, 2 Samuël 13:39, Genesis 24:67, Richteren 14:113En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.stylus14Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.stylusGenesis 38:26, Genesis 38:26, Genesis 24:65, Genesis 38:11, Genesis 38:1315Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.stylus16En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?stylusMattheüs 26:15, 2 Samuël 13:11, 1 Timotheüs 6:10, Mattheüs 26:15, 2 Samuël 13:1117En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.stylusEzechiël 16:33, Genesis 38:20, Ezechiël 16:33, Genesis 38:20, Genesis 38:2418Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.stylusGenesis 38:25, Genesis 38:26, Genesis 38:25, Genesis 38:26, Hosea 4:1119En zij maakte zich op, en ging heen, en leide haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.stylusGenesis 38:14, Genesis 38:14, 2 Samuël 14:2, 2 Samuël 14:5, 2 Samuël 14:220En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.stylus2 Samuël 13:3, Leviticus 19:17, Lucas 23:12, Genesis 20:9, Richteren 14:2021En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.stylus22En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.stylus23Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.stylusOpenbaring 16:15, 2 Korintiërs 4:2, Spreuken 6:33, Efeziërs 5:12, Romeinen 6:2124En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!stylusLeviticus 21:9, Leviticus 21:9, Ezechiël 23:5, Richteren 19:2, Ezechiël 23:4425Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.stylusGenesis 38:18, Genesis 37:32, Genesis 38:18, Genesis 37:32, 1 Korintiërs 4:526En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.stylus1 Samuël 24:17, 1 Samuël 24:17, 1 Petrus 4:2, 1 Petrus 4:3, Johannes 8:927En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.stylusGenesis 25:24, Genesis 25:2428En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.stylus29Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.stylusMattheüs 1:3, Genesis 46:12, Numeri 26:20, 1 Kronieken 2:4, Mattheüs 1:330En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.stylus1 Kronieken 9:6, 1 Kronieken 9:6, 1 Kronieken 2:4, Mattheüs 1:3, 1 Kronieken 2:4