Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 38

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 38

1En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.
2 Koningen 4:8, 1 Samuël 22:1, 2 Koningen 4:8, 1 Samuël 22:1, Genesis 19:2
2En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaänietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.
1 Kronieken 2:3, 1 Kronieken 2:3, Genesis 24:3, Genesis 24:3, Genesis 6:2
3En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.
Numeri 26:19, Genesis 46:12, Numeri 26:19, Genesis 46:12
4Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.
Genesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 26:19, Numeri 26:19
5En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.
Numeri 26:20, Numeri 26:20, 1 Kronieken 4:21, Genesis 38:11, Genesis 46:12
6Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.
Genesis 24:3, Genesis 21:21, Mattheüs 1:3, Genesis 24:3, Genesis 21:21
7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren ogen; daarom doodde hem de Heere.
1 Kronieken 2:3, 1 Kronieken 2:3, Genesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 26:19
8Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.
Mattheüs 22:23, Mattheüs 22:27, Mattheüs 22:23, Mattheüs 22:27, Deuteronomium 25:5
9Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.
Jakobus 3:16, Jakobus 4:5, Titus 3:3, Jakobus 3:16, Jakobus 4:5
10En het was kwaad in des Heeren ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.
Genesis 46:12, Genesis 46:12, Numeri 11:1, Numeri 26:19, Numeri 11:1
11Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook deze sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.
Leviticus 22:13, Leviticus 22:13, Ruth 1:11, Ruth 1:13, Ruth 1:11
12Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.
Jozua 15:10, Jozua 15:10, 2 Samuël 13:39, Genesis 24:67, Richteren 14:1
13En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.
14Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.
Genesis 38:26, Genesis 38:26, Genesis 24:65, Genesis 38:11, Genesis 38:13
15Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.
16En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?
Mattheüs 26:15, 2 Samuël 13:11, 1 Timotheüs 6:10, Mattheüs 26:15, 2 Samuël 13:11
17En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.
Ezechiël 16:33, Genesis 38:20, Ezechiël 16:33, Genesis 38:20, Genesis 38:24
18Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.
Genesis 38:25, Genesis 38:26, Genesis 38:25, Genesis 38:26, Hosea 4:11
19En zij maakte zich op, en ging heen, en leide haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.
Genesis 38:14, Genesis 38:14, 2 Samuël 14:2, 2 Samuël 14:5, 2 Samuël 14:2
20En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.
2 Samuël 13:3, Leviticus 19:17, Lucas 23:12, Genesis 20:9, Richteren 14:20
21En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.
22En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.
23Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.
Openbaring 16:15, 2 Korintiërs 4:2, Spreuken 6:33, Efeziërs 5:12, Romeinen 6:21
24En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!
Leviticus 21:9, Leviticus 21:9, Ezechiël 23:5, Richteren 19:2, Ezechiël 23:44
25Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.
Genesis 38:18, Genesis 37:32, Genesis 38:18, Genesis 37:32, 1 Korintiërs 4:5
26En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.
1 Samuël 24:17, 1 Samuël 24:17, 1 Petrus 4:2, 1 Petrus 4:3, Johannes 8:9
27En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
Genesis 25:24, Genesis 25:24
28En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.
29Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.
Mattheüs 1:3, Genesis 46:12, Numeri 26:20, 1 Kronieken 2:4, Mattheüs 1:3
30En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.
1 Kronieken 9:6, 1 Kronieken 9:6, 1 Kronieken 2:4, Mattheüs 1:3, 1 Kronieken 2:4

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 38
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward