1Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.stylusPsalmen 91:11, Psalmen 91:11, 1 Korintiërs 3:22, 2 Koningen 6:16, 2 Koningen 6:172En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.stylus2 Samuël 2:8, 2 Samuël 2:8, Jozua 21:38, Jozua 5:14, Jozua 21:383En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.stylusJozua 24:4, Genesis 25:30, Jozua 24:4, Genesis 25:30, Genesis 14:64En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;stylus1 Petrus 3:6, 1 Petrus 3:6, Spreuken 6:3, Genesis 27:37, Genesis 23:65En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.stylusGenesis 33:8, Genesis 33:8, Genesis 33:15, Genesis 33:15, Genesis 30:436En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.stylusGenesis 33:1, Genesis 33:1, Genesis 27:40, Genesis 27:41, Amos 5:197Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;stylusGenesis 35:3, Genesis 35:3, Psalmen 55:4, Psalmen 55:5, Psalmen 18:48Want hij zeide: Indiën Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.stylusGenesis 33:1, Genesis 33:3, Mattheüs 10:16, Genesis 33:1, Genesis 33:39Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o Heere! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!stylusGenesis 31:42, Genesis 31:42, Genesis 31:13, Genesis 28:13, Genesis 31:1310Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!stylusPsalmen 18:35, Psalmen 18:35, Genesis 24:27, Genesis 24:27, 1 Timotheüs 1:1211Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau’s hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!stylusPsalmen 59:1, Psalmen 59:2, Spreuken 18:19, Psalmen 59:1, Psalmen 59:212Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!stylusGenesis 28:13, Genesis 28:15, Genesis 28:13, Genesis 28:15, Hebreeën 6:1713En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;stylusGenesis 43:11, Genesis 43:11, Spreuken 18:16, Spreuken 18:16, Spreuken 21:1414Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;stylusDeuteronomium 8:18, Job 1:3, Job 42:12, Deuteronomium 8:18, Job 1:315Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.stylus16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.stylusGenesis 32:20, Mattheüs 10:16, Spreuken 2:11, Psalmen 112:5, Jesaja 28:2617En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?stylusGenesis 33:3, Genesis 33:318Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!stylusGenesis 32:4, Genesis 32:5, Genesis 32:4, Genesis 32:519En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.stylus20En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.stylusJob 42:8, Job 42:9, Job 42:8, Job 42:9, Spreuken 21:1421Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.stylus22En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.stylusDeuteronomium 3:16, Deuteronomium 2:37, Deuteronomium 3:16, Deuteronomium 2:37, 1 Timotheüs 5:823En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.stylus24Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.stylusHosea 12:3, Hosea 12:5, Hosea 12:3, Hosea 12:5, Efeziërs 6:1225En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.stylus2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:9, 2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:9, Hosea 12:326En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.stylusHosea 12:4, Hosea 12:4, Psalmen 115:12, Psalmen 115:13, Psalmen 115:1227En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.stylus28Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.stylusOpenbaring 2:17, Openbaring 2:17, Genesis 35:10, Genesis 35:10, Jesaja 62:229En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.stylusRichteren 13:16, Richteren 13:18, Jesaja 9:6, Job 11:7, Richteren 13:1630En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.stylusNumeri 12:8, Exodus 24:10, Exodus 24:11, Numeri 12:8, Exodus 24:1031En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.stylus2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:7, Genesis 32:25, Genesis 19:15, 2 Korintiërs 12:932Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.stylus1 Samuël 5:5, 1 Samuël 5:5