Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 32

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 32

1Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.
Psalmen 91:11, Psalmen 91:11, 1 Korintiërs 3:22, 2 Koningen 6:16, 2 Koningen 6:17
2En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.
2 Samuël 2:8, 2 Samuël 2:8, Jozua 21:38, Jozua 5:14, Jozua 21:38
3En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.
Jozua 24:4, Genesis 25:30, Jozua 24:4, Genesis 25:30, Genesis 14:6
4En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;
1 Petrus 3:6, 1 Petrus 3:6, Spreuken 6:3, Genesis 27:37, Genesis 23:6
5En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.
Genesis 33:8, Genesis 33:8, Genesis 33:15, Genesis 33:15, Genesis 30:43
6En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.
Genesis 33:1, Genesis 33:1, Genesis 27:40, Genesis 27:41, Amos 5:19
7Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;
Genesis 35:3, Genesis 35:3, Psalmen 55:4, Psalmen 55:5, Psalmen 18:4
8Want hij zeide: Indiën Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.
Genesis 33:1, Genesis 33:3, Mattheüs 10:16, Genesis 33:1, Genesis 33:3
9Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o Heere! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!
Genesis 31:42, Genesis 31:42, Genesis 31:13, Genesis 28:13, Genesis 31:13
10Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!
Psalmen 18:35, Psalmen 18:35, Genesis 24:27, Genesis 24:27, 1 Timotheüs 1:12
11Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau’s hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!
Psalmen 59:1, Psalmen 59:2, Spreuken 18:19, Psalmen 59:1, Psalmen 59:2
12Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
Genesis 28:13, Genesis 28:15, Genesis 28:13, Genesis 28:15, Hebreeën 6:17
13En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;
Genesis 43:11, Genesis 43:11, Spreuken 18:16, Spreuken 18:16, Spreuken 21:14
14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;
Deuteronomium 8:18, Job 1:3, Job 42:12, Deuteronomium 8:18, Job 1:3
15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.
16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.
Genesis 32:20, Mattheüs 10:16, Spreuken 2:11, Psalmen 112:5, Jesaja 28:26
17En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?
Genesis 33:3, Genesis 33:3
18Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!
Genesis 32:4, Genesis 32:5, Genesis 32:4, Genesis 32:5
19En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.
20En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
Job 42:8, Job 42:9, Job 42:8, Job 42:9, Spreuken 21:14
21Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.
22En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.
Deuteronomium 3:16, Deuteronomium 2:37, Deuteronomium 3:16, Deuteronomium 2:37, 1 Timotheüs 5:8
23En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.
24Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.
Hosea 12:3, Hosea 12:5, Hosea 12:3, Hosea 12:5, Efeziërs 6:12
25En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.
2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:9, 2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:9, Hosea 12:3
26En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Hosea 12:4, Hosea 12:4, Psalmen 115:12, Psalmen 115:13, Psalmen 115:12
27En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.
28Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.
Openbaring 2:17, Openbaring 2:17, Genesis 35:10, Genesis 35:10, Jesaja 62:2
29En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.
Richteren 13:16, Richteren 13:18, Jesaja 9:6, Job 11:7, Richteren 13:16
30En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
Numeri 12:8, Exodus 24:10, Exodus 24:11, Numeri 12:8, Exodus 24:10
31En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.
2 Korintiërs 12:7, 2 Korintiërs 12:7, Genesis 32:25, Genesis 19:15, 2 Korintiërs 12:9
32Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.
1 Samuël 5:5, 1 Samuël 5:5

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 32
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward