Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 33

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 33

1En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.
Genesis 32:6, Genesis 32:7, Genesis 32:6, Genesis 32:7, Genesis 27:41
2En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
Genesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 29:30, Genesis 37:3, Maleachi 3:17
3En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.
Genesis 42:6, Genesis 42:6, Genesis 18:2, Genesis 18:2, Genesis 43:26
4Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.
Genesis 45:14, Genesis 45:15, Genesis 45:14, Genesis 45:15, Psalmen 34:4
5Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.
Psalmen 127:3, Psalmen 127:3, Jesaja 8:18, Jesaja 8:18, Genesis 48:9
6Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.
7En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.
8En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!
Genesis 32:5, Genesis 32:5, Genesis 39:5, Esther 2:17, Genesis 32:13
9Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!
Genesis 27:39, Genesis 27:39, Filemon 1:7, Filemon 1:7, Genesis 27:41
10Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.
Job 33:26, Job 33:26, Openbaring 22:4, Openbaring 22:4, Genesis 32:30
11Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
Filippenzen 4:18, 1 Samuël 25:27, Filippenzen 4:18, 1 Samuël 25:27, Genesis 30:43
12En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.
13Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.
Jesaja 40:11, Jesaja 40:11, Ezechiël 34:15, Ezechiël 34:16, Ezechiël 34:15
14Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.
Jesaja 40:11, Genesis 32:3, Jesaja 40:11, Genesis 32:3, Romeinen 15:1
15En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!
Ruth 2:13, Ruth 2:13, Genesis 47:25, Genesis 34:11, Genesis 47:25
16Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.
17Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.
Psalmen 60:6, Jozua 13:27, Richteren 8:5, Psalmen 60:6, Jozua 13:27
18En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.
Handelingen 7:16, Jozua 24:1, Richteren 9:1, Handelingen 7:16, Jozua 24:1
19En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
Handelingen 7:16, Johannes 4:5, Handelingen 7:16, Johannes 4:5, Jozua 24:32
20En hij richtte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israëls is God!
Genesis 21:33, Genesis 35:7, Genesis 32:28, Genesis 21:33, Genesis 35:7

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 33
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward