1De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.stylusHebreeën 11:8, Hebreeën 11:8, Nehemia 9:7, Nehemia 9:7, Handelingen 7:22En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!stylus2 Samuël 7:9, 2 Samuël 7:9, Galaten 3:14, Galaten 3:14, Genesis 18:183En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.stylusGalaten 3:8, Galaten 3:8, Genesis 22:18, Genesis 22:18, Genesis 27:294En Abram toog heen, gelijk de Heere tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.stylusHebreeën 11:8, Hebreeën 11:8, Genesis 11:31, Genesis 11:31, Genesis 11:275En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.stylusGenesis 14:14, Genesis 14:14, Genesis 11:31, Genesis 11:31, Handelingen 7:46En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.stylusDeuteronomium 11:30, Hebreeën 11:9, Deuteronomium 11:30, Hebreeën 11:9, Genesis 35:47Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.stylusGalaten 3:16, Galaten 3:16, Genesis 17:1, Genesis 17:8, Genesis 17:18En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den Heere een altaar, en riep den Naam des Heeren aan.stylusGenesis 4:26, Nehemia 11:31, Genesis 4:26, Nehemia 11:31, Genesis 21:339Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.stylusGenesis 13:3, Genesis 13:3, Genesis 13:1, Genesis 24:62, Genesis 13:110En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.stylusGenesis 43:1, Genesis 43:1, Genesis 26:1, Genesis 26:3, Genesis 26:111En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.stylusGenesis 26:7, Genesis 26:7, Spreuken 21:30, Genesis 12:14, Genesis 29:1712En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.stylusGenesis 20:11, Genesis 20:11, Genesis 26:7, Genesis 26:7, Spreuken 29:2513Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.stylusGenesis 20:2, Genesis 26:7, Genesis 20:12, Genesis 20:13, Genesis 20:214En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.stylusGenesis 3:6, Mattheüs 5:28, Genesis 6:2, Genesis 39:7, Genesis 3:615Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.stylusGenesis 20:2, Genesis 20:2, Genesis 41:1, Psalmen 105:4, 2 Koningen 18:2116En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.stylusGenesis 20:14, Genesis 20:14, Genesis 13:2, Genesis 13:2, Job 42:1217Maar de Heere plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.stylus1 Kronieken 16:21, 1 Kronieken 16:21, Genesis 20:18, Genesis 20:18, Psalmen 105:1418Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?stylusGenesis 20:9, Genesis 20:10, Genesis 20:9, Genesis 20:10, Genesis 26:919Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!stylus20En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.stylusPsalmen 105:14, Psalmen 105:15, Spreuken 21:1, Psalmen 105:14, Psalmen 105:15