1Maar nu zeiden de Efraïmieten tot hem: Wat is dat voor een manier van doen tegenover ons, dat ge ons niet hebt opgeroepen, toen ge Midjan gingt bestrijden? En ze voeren heftig tegen hem uit.stylus2 Samuël 19:41, 2 Samuël 19:41, Richteren 12:1, Richteren 12:6, Richteren 12:12Doch hij zeide tot hen: Wat heb ik dan meer gedaan dan gij? Is Efraïms nalezing niet meer waard dan Abiézers oogst?stylusJakobus 3:13, Jakobus 3:18, Richteren 6:11, Richteren 6:34, Jakobus 1:193In uw handen heeft God Oreb en Zeëb, de aanvoerders der Midjanieten, geleverd. Wat heb ik dan meer kunnen doen, dan gij hebt gedaan? Toen hij zo had gesproken, bedaarde hun verstoordheid op hem.stylusSpreuken 15:1, Spreuken 15:1, Richteren 7:24, Richteren 7:25, Richteren 7:244Vermoeid en hongerig kwam Gedeon met zijn drie honderd gezellen bij de Jordaan, en trok die over.stylusGalaten 6:9, Hebreeën 12:1, Hebreeën 12:4, 2 Korintiërs 4:16, Galaten 6:95Hij zei toen tot de bewoners van Soekkot: Geef toch wat brood aan de mannen, die me volgen; want ze zijn uitgeput, en ik moet de midjanietische koningen Zébach en Salmoenna nog achtervolgen.stylusGenesis 33:17, Genesis 33:17, Psalmen 60:6, Psalmen 60:6, 1 Samuël 25:186Maar de overheden van Soekkot zeiden: Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij aan uw leger brood zouden geven?stylus1 Koningen 20:11, 1 Koningen 20:11, Genesis 37:25, Genesis 25:13, Spreuken 18:237Toen sprak Gedeon: Waarachtig, als Jahweh mij Zébach en Salmoenna heeft overgeleverd, zal ik uw vlees komen dorsen met dorens uit de woestijn en met distels.stylusRichteren 7:15, Richteren 7:158Vandaar trok hij verder naar Penoeël, en deed aan de burgers van Penoeël hetzelfde verzoek. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de bewoners van Soekkot.stylusGenesis 32:30, Genesis 32:31, 1 Koningen 12:25, Genesis 32:30, Genesis 32:319Hij sprak dan ook tot de inwoners van Penoeël: Als ik in vrede terugkeer, haal ik deze toren omver.stylusRichteren 8:17, 1 Koningen 22:27, 1 Koningen 22:28, Richteren 8:17, 1 Koningen 22:2710Intussen waren Zébach en Salmoenna met hun leger van ongeveer vijftien duizend man te Karkor gekomen. Het was alles wat er was overgebleven van het hele leger der stammen uit het oosten; honderdtwintig duizend man, die het zwaard hanteerden, waren gevallen.stylusRichteren 7:12, Richteren 7:12, Richteren 20:17, Richteren 20:35, Richteren 20:211Gedeon trok dus op in de richting der tentbewoners, ten oosten van Nóbach en Jogbeha, en versloeg het leger, dat zich in veiligheid waande.stylusNumeri 32:35, Numeri 32:42, Numeri 32:35, Numeri 32:42, Richteren 18:2712Zébach en Salmoenna namen de vlucht, maar hij zette ze na, nam de beide midjanietische koningen Zébach en Salmoenna gevangen, en bracht heel het leger in verwarring.stylusPsalmen 83:11, Psalmen 83:11, Jozua 10:16, Jozua 10:18, Jozua 10:2213Toen Gedeon, de zoon van Joasj, van de strijd terugkeerde langs de hoogte van Chéres,stylus14nam hij een jongen, een van de inwoners van Soekkot, gevangen, die op zijn verzoek hem de overheden van Soekkot en zijn oudsten opschreef, zeven en zeventig man.stylusRichteren 1:24, Richteren 1:25, 1 Samuël 30:11, 1 Samuël 30:15, Richteren 1:2415En bij de burgers van Soekkot gekomen, sprak hij: Hier zijn nu Zébach en Salmoenna, om wie gij mij honend gezegd hebt: "Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij uw uitgeputte mannen brood zouden geven?"stylusRichteren 8:6, Richteren 8:7, Richteren 8:6, Richteren 8:716En hij greep de oudsten der stad, nam dorens uit de woestijn en distels, en tuchtigde de inwoners van Soekkot er mee.stylusRichteren 8:7, Richteren 8:7, Ezra 2:6, Micha 7:4, Spreuken 19:2917Ook de toren van Penoeël haalde hij omver, en doodde de burgers der stad.stylusRichteren 8:9, Richteren 8:9, 1 Koningen 12:25, 1 Koningen 12:2518Daarna vroeg hij aan Zébach en Salmoenna: Wat waren dat voor mannen, die ge op de Tabor vermoord hebt? Ze zeiden: Ze leken op u; ze zagen er uit als koningszonen.stylusRichteren 4:6, Richteren 4:6, Psalmen 89:12, Judas 1:16, Psalmen 12:219Hij riep uit: Dan waren het mijn broeders, de zonen van mijn moeder! Zowaar Jahweh leeft: hadt gij hen in het leven gelaten, dan had ik ook u niet gedood!stylus20En hij zei tot Jéter, zijn eerstgeborene: Vooruit, sla ze dood! Maar de jongen durfde zijn zwaard niet trekken; hij was bang, omdat hij nog een jongen was.stylus1 Samuël 15:33, Jozua 10:24, Psalmen 149:9, 1 Samuël 15:33, Jozua 10:2421Toen zeiden Zébach en Salmoenna: Kom zelf ons neerslaan, want zoals de man, zo is ook zijn kracht. En Gedeon stond op, en doodde Zébach en Salmoenna; de maantjes, die aan de nekken hunner kamelen hingen, nam hij voor zich.stylusPsalmen 83:11, Psalmen 83:11, Jesaja 3:18, Richteren 8:26, Jesaja 3:1822Nu spraken de Israëlieten tot Gedeon: Heers over ons, gij zowel als uw zoon en uw kleinzoon; want gij hebt ons uit de hand van Midjan bevrijd.stylus1 Samuël 8:5, Johannes 6:15, Richteren 9:8, Richteren 9:15, 1 Samuël 12:1223Maar Gedeon gaf hun ten antwoord: Niet ik zal over u heersen, en mijn zoon evenmin, doch Jahweh zal over u heersen!stylusJesaja 33:22, Jesaja 33:22, 1 Samuël 12:12, 1 Samuël 12:12, 1 Samuël 10:1924Maar Gedeon ging voort: Toch wilde ik u iets vragen. Laat ieder van u uit zijn buit mij een ring geven. Want omdat het Ismaëlieten waren, hadden ze gouden ringen gedragen.stylusGenesis 25:13, Genesis 25:13, Genesis 37:28, Genesis 37:25, Genesis 37:2825Ze antwoordden: Die geven we u graag. Zij spreidden een mantel uit, en ieder wierp er een ring uit zijn buit op.stylus26Het gewicht der ringen, waarom hij gevraagd had, bedroeg zeventien honderd sikkels in goud, behalve de maantjes, oorbellen en purperen gewaden, die de koningen van Midjan hadden gedragen, met de ketens aan de nekken hunner kamelen.stylusEsther 8:15, Johannes 19:5, Openbaring 18:12, Openbaring 18:16, Johannes 19:227Hiervan liet Gedeon een efod maken, die hij in zijn stad Ofra plaatste. Daar pleegde heel Israël er ontucht mee, en zij werd ook een valstrik voor Gedeon en zijn huis.stylusRichteren 17:5, Psalmen 106:39, Richteren 18:14, Richteren 17:5, Psalmen 106:3928Zo werd Midjan voor de Israëlieten vernederd, en stak het hoofd niet meer op. En het land genoot gedurende veertig jaar rust, al de tijd, dat Gedeon nog leefde.stylusRichteren 5:31, Richteren 5:31, Richteren 3:11, Richteren 3:11, Psalmen 83:929Toen Jeroebbáal, de zoon van Joasj, naar huis was gegaan, bleef hij daar wonen.stylusRichteren 7:1, Richteren 6:32, Richteren 7:1, Richteren 6:32, Nehemia 5:1430Gedeon had zeventig zonen, uit zijn lenden ontsproten; want hij had vele vrouwen.stylusRichteren 9:5, Richteren 9:2, Richteren 9:5, Richteren 9:2, Deuteronomium 17:1731Bovendien baarde ook zijn bijzit, die hij te Sikem had, hem een zoon, dien hij Abimélek noemde.stylusRichteren 9:18, Genesis 16:15, Richteren 9:1, Richteren 9:5, Genesis 20:232Gedeon, de zoon van Joasj, stierf in hoge ouderdom, en werd begraven in het graf van zijn vader Joasj, in Ofra van Abiézer.stylusGenesis 25:8, Genesis 25:8, Genesis 15:15, Job 5:26, Richteren 6:2433Toen Gedeon gestorven was, begonnen de Israëlieten weer ontuchtig achter de Báals te lopen, en kozen zich Báal-Berit tot God.stylusRichteren 9:46, Richteren 9:4, Richteren 2:19, Richteren 9:46, Richteren 9:434De Israëlieten dachten niet meer aan Jahweh, hun God, die hen verlost had van al hun vijanden, die hen omringden;stylusPsalmen 78:42, Psalmen 78:42, Psalmen 78:11, Psalmen 78:11, Psalmen 106:2135evenmin waren ze het huis van Jeroebbáal of Gedeon erkentelijk voor al het goede, dat hij voor Israël had gedaan.stylusRichteren 9:16, Richteren 9:19, Prediker 9:14, Prediker 9:15, Richteren 9:5