Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Numeri Hoofdstuk 32

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
NUMERI

Numeri 32

1De zonen van Ruben en Gad bezaten zeer talrijke kudden. En daar de Rubenieten en Gadieten zagen, dat het land Jazer en het land Gilad een zeer geschikte streek voor vee was,
Numeri 21:32, Numeri 21:32, Numeri 32:35, Numeri 32:3, Genesis 13:10
2gingen ze naar Moses, den priester Elazar en de aanvoerders van de gemeenschap en zeiden:
3Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesjbon, Elale, Sibma, Nebo en Báal-Meon,
Jesaja 16:8, Jesaja 16:9, Numeri 32:34, Numeri 32:38, Jeremia 48:34
4het land, dat Jahweh aan de gemeenschap van Israël heeft onderworpen, is een land van veeteelt, en uw dienaren oefenen veeteelt uit.
Numeri 21:34, Numeri 21:34, Deuteronomium 2:24, Deuteronomium 2:35, Numeri 21:24
5En zij vervolgden: Zo wij genade hebben gevonden in uw ogen, laat dan dit land aan uw dienaren als bezitting worden gegeven, en voer ons niet over de Jordaan.
Jeremia 31:2, 2 Samuël 14:22, Deuteronomium 1:37, 1 Samuël 20:3, Genesis 19:19
6Maar Moses gaf de zonen van Gad en Ruben ten antwoord: Wilt gij dan hier blijven wonen, terwijl uw broeders ten strijde trekken?
1 Korintiërs 13:5, 1 Korintiërs 13:5, Filippenzen 2:4, 2 Samuël 11:11, Filippenzen 2:4
7Waarom wilt ge de Israëlieten de moed benemen, om naar de overkant te trekken, naar het land, dat Jahweh hun heeft gegeven?
Numeri 21:4, Deuteronomium 1:28, Handelingen 21:13, Numeri 13:27, Numeri 14:4
8Zo hebben uw vaders gedaan, toen ik hen uitzond van Kadesj-Barnéa, om het land te verkennen.
Jozua 14:6, Jozua 14:7, Numeri 13:2, Numeri 13:26, Deuteronomium 1:19
9Zij trokken op tot de Esjkol-vallei, en zij verkenden het land; maar toen ontnamen zij de kinderen Israëls de moed, om het land binnen te trekken, dat Jahweh hun had gegeven.
Numeri 13:23, Numeri 14:10, Deuteronomium 1:24, Deuteronomium 1:28, Numeri 13:23
10Maar toen ook ontbrandde de gramschap van Jahweh, en zwoer Hij:
Numeri 14:11, Numeri 14:11, Numeri 14:21, Psalmen 95:11, Numeri 14:29
11De mannen van twintig jaar oud en daarboven, die uit Egypte zijn opgetrokken, zullen het land niet aanschouwen, dat Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij Mij niet trouw zijn gebleven!
Numeri 14:28, Numeri 14:30, Numeri 14:28, Numeri 14:30, Numeri 14:24
12Uitgezonderd werden Kaleb, de Kenizziet, de zoon van Jefoenne, en Josuë, de zoon van Noen; want zij bleven Jahweh getrouw.
Deuteronomium 1:36, Deuteronomium 1:36, Numeri 14:30, Numeri 14:24, Numeri 14:30
13Zo ontstak de toorn van Jahweh tegen Israël en liet Hij ze veertig jaar lang in de woestijn zwerven, tot heel het geslacht, dat kwaad had gedaan in de ogen van Jahweh, was gestorven.
Numeri 14:33, Numeri 14:35, 1 Korintiërs 10:5, Numeri 14:33, Numeri 14:35
14En nu neemt gij de plaats van uw vaderen in, zondig gebroed, en roept gij de grimmige toorn van Jahweh over Israël weer af.
Jesaja 57:4, Ezechiël 20:21, Lucas 11:48, Nehemia 9:24, Nehemia 9:26
15Zo ge u van Hem afwendt, zal Hij het nog langer in de woestijn laten zwerven, en stort gij heel dit volk in het verderf.
1 Korintiërs 8:11, 1 Korintiërs 8:12, 2 Kronieken 15:2, 1 Korintiërs 8:11, 1 Korintiërs 8:12
16Maar zij traden op hem toe, en zeiden: Wij willen hier enkel schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen;
Genesis 33:17, Numeri 34:22, Genesis 33:17, Numeri 34:22
17maar wij zelf zullen strijdvaardig aan de spits van de Israëlieten optrekken, totdat wij ze naar hun bestemming hebben gebracht; intussen zullen onze kinderen dan in versterkte steden kunnen blijven, om tegen de bewoners van het land beveiligd te zijn.
Jozua 4:12, Jozua 4:13, Jozua 4:12, Jozua 4:13, Numeri 32:29
18Wij keren niet naar huis terug, eer ieder van Israëls kinderen zijn aandeel heeft bekomen.
Jozua 22:1, Jozua 22:5, Jozua 22:1, Jozua 22:5
19Ook zullen we geen erfbezit bij hen krijgen aan de overkant van de Jordaan, zo wij ons erfdeel hebben gekregen aan deze zijde, ten oosten van de Jordaan.
Jozua 13:8, Jozua 13:8, Genesis 13:10, Genesis 13:12, Jozua 12:1
20Toen sprak Moses tot hen: Wanneer gij dit woord gestand doet, en u voor Jahweh ten strijde gordt,
Jozua 4:12, Jozua 4:13, Jozua 4:12, Jozua 4:13, Deuteronomium 3:18
21en gij allen welbewapend de Jordaan overtrekt voor het aanschijn van Jahweh, totdat Hij zijn vijanden voor Zich heeft uitgedreven,
22en eerst terugkeert als het land aan Jahweh is onderworpen, dan gaat ge vrij uit voor Jahweh en Israël, en zal dit land voor het aanschijn van Jahweh uw eigendom zijn.
Jozua 22:9, Jozua 22:4, Jozua 22:9, Jozua 22:4, Deuteronomium 3:20
23Maar doet ge het niet, dan zondigt ge tegen Jahweh, en zult ge de gevolgen van uw zonde ondervinden.
Jesaja 59:12, Jesaja 59:12, Spreuken 13:21, Spreuken 13:21, Genesis 44:16
24Bouwt dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar doet, wat ge beloofd hebt.
Numeri 32:16, Numeri 32:16, Numeri 30:2, Numeri 32:34, Numeri 32:42
25Toen zeiden de zonen van Gad en Ruben tot Moses: Uw dienaren zullen doen, zoals mijn heer heeft bevolen.
Jozua 1:13, Jozua 1:14, Jozua 1:13, Jozua 1:14
26Onze kinderen en vrouwen, ons vee, en al onze runderen zullen in de steden van Gilad blijven,
Jozua 1:14, Jozua 1:14
27maar uw dienaren zullen allen, welbewapend, naar de overkant trekken, om voor Jahweh te strijden, zoals mijn heer heeft gezegd.
Jozua 4:12, Jozua 4:12, Numeri 36:2, 2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:5
28Nu gaf Moses den priester Elazar en Josuë, den zoon van Noen, met de familiehoofden van Israëls stammen zijn bevelen betreffende hen.
Jozua 1:13, Jozua 1:13
29Moses zeide: Wanneer de zonen van Gad en van Ruben, allen welbewapend, met u de Jordaan overtrekken, om voor Jahweh te strijden, en het land aan u onderworpen is, dan moet ge hun het land Gilad in eigendom geven;
30maar zo ze niet welbewapend met u naar de overkant trekken, dan moeten zij worden gedwongen zich onder u in het land Kanaän te vestigen.
Jozua 22:19, Jozua 22:19
31De zonen van Gad en Ruben verzekerden: Wat Jahweh uw dienaars bevolen heeft, zullen ze doen.
32Voor Jahweh’s aanschijn zullen wij welbewapend naar het land Kanaän trekken, en eerst dan zullen we aan deze zijde van de Jordaan vaste bezittingen verkrijgen.
33Zo gaf Moses aan de zonen van Gad en Ruben en aan de helft van de stam van Manasse, den zoon van Josef, het rijk van Sichon, den koning der Amorieten, en het rijk van Og, den koning van Basjan, zowel de steden van het land als het grondgebied rondom de steden.
Jozua 12:6, Jozua 12:6, Deuteronomium 3:12, Deuteronomium 3:17, Jozua 22:4
34De zonen van Gad herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot en Aroër,
Deuteronomium 2:36, Deuteronomium 2:36, Numeri 32:3, Numeri 32:3, Numeri 33:45
35Atrot-Sjofan, Jazer en Jogbeha,
Numeri 32:1, Numeri 32:3, Numeri 32:1, Numeri 32:3
36Bet-Nimra, Bet-Haran met haar schaapskooien.
Numeri 32:3, Numeri 32:3
37De zonen van Ruben herbouwden Chesjbon, Elale en Kirjatáim,
Numeri 32:3, Numeri 21:27, Numeri 32:3, Numeri 21:27, Jesaja 15:4
38Nebo, Báal-Meon (onder een andere naam) en Sibma, en gaven aan de steden, die ze bouwden, andere namen.
Jesaja 46:1, Jesaja 46:1, Numeri 32:3, Numeri 32:3, Jozua 23:7
39De zonen van Makir, den zoon van Manasse, trokken naar Gilad, veroverden het en verdreven de Amorieten, die daar woonden.
Genesis 50:23, Genesis 50:23, Numeri 26:29, Jozua 17:1, Numeri 26:29
40Moses gaf Gilad aan Makir, den zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
Jozua 17:1, Jozua 17:1, Deuteronomium 3:13, Deuteronomium 3:15, Jozua 13:29
41Ook Jaïr, de zoon van Manasse, trok op, veroverde hun kampementen en noemde ze kampementen van Jaïr.
Deuteronomium 3:14, Deuteronomium 3:14, Richteren 10:4, Richteren 10:4, Jozua 13:30
42Ook Nóbach trok op, veroverde Kenat met zijn onderhorige plaatsen, en noemde het Nóbach naar zijn eigen naam.
Psalmen 49:11, 2 Samuël 18:18, Psalmen 49:11, 2 Samuël 18:18

Andere Boeken

NumeriDeuteronomiumJozua+

Andere Boeken

NumeriHfst. 32
DeuteronomiumJozuaRichterenRuth1 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward