1Daarna brak het volk op van Chaserot, en legerde zich in de woestijn Paran.stylus2Daar sprak Jahweh tot Moses:stylusDeuteronomium 1:22, Deuteronomium 1:25, Deuteronomium 1:22, Deuteronomium 1:25, Numeri 32:83Zend mannen uit, om het land Kanaän te verkennen, dat Ik aan Israëls kinderen zal geven; uit iedere vaderstam moet ge één man zenden en allen moeten het aanvoerders zijn.stylusNumeri 32:8, Numeri 12:16, Numeri 32:8, Numeri 12:16, Deuteronomium 9:234Moses zond hen dus op Jahweh’s bevel uit de woestijn Paran op weg. Al die mannen waren hoofden van de Israëlieten,stylus5en dit zijn hun namen: Uit de stam Ruben Sjammóea, de zoon van Zakkoer;stylus6uit de stam Simeon Sjafat, de zoon van Chori;stylusNumeri 34:19, Numeri 14:6, Numeri 34:19, Numeri 14:6, Numeri 14:307uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;stylus8uit de stam Issakar Jigal, de zoon van Josef;stylusExodus 24:13, Numeri 11:28, Exodus 24:13, Numeri 11:28, Exodus 17:99uit de stam Efraïm Hosjéa, de zoon van Noen;stylus10uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafoe;stylus11uit de stam Zabulon Gaddiël, de zoon van Sodi;stylus12uit de stam Josef en wel uit de stam Manasse Gaddi, de zoon van Soesi;stylus13uit de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli;stylus14uit de stam Aser Setoer, de zoon van Mikaël;stylus15uit de stam Neftali Nachbi, de zoon van Wofsi;stylus16uit de stam Gad Geoeël, de zoon van Maki.stylusNumeri 13:8, Numeri 13:8, Exodus 17:9, Exodus 17:9, Hosea 1:117Dit waren de namen der mannen, die Moses uitzond, om het land te verkennen; maar Moses noemde Hosjéa, den zoon van Noen, Josuë.stylusRichteren 1:9, Richteren 1:9, Genesis 12:9, Genesis 12:9, Jozua 15:318Moses zond ze dus uit, om het land Kanaän te verkennen, en zei hun: Trekt hier de Négeb in, en bestijgt het bergland.stylusExodus 3:8, Ezechiël 34:14, Exodus 3:8, Ezechiël 34:1419Ziet, hoe het met het land is gesteld; of het volk, dat er woont, sterk is of zwak, gering of talrijk;stylus20of het land, waarin het woont, vruchtbaar of dor is: of de steden, die het bewoont, open zijn of versterkt;stylusDeuteronomium 31:23, Deuteronomium 31:23, Nehemia 9:25, Ezechiël 34:14, Deuteronomium 31:621of de bodem vet is of schraal; of er bomen zijn of niet; toont, dat ge moed hebt. Brengt ook wat vruchten van het land mee; het was toen juist de tijd der eerste druiven.stylusNumeri 20:1, Numeri 33:36, Numeri 20:1, Numeri 33:36, Numeri 27:1422Zij trokken dan uit, om het land te verkennen van de woestijn Sin tot aan Rechob bij Chamat.stylusPsalmen 78:43, Psalmen 78:12, Psalmen 78:43, Psalmen 78:12, Jesaja 19:1123Zij trokken de Négeb in, en bereikten Hebron, waar de Anakskinderen Achiman, Sjesjai en Talmai woonden; Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan het egyptische Sóan.stylusNumeri 13:24, Numeri 32:9, Numeri 13:24, Numeri 32:9, Deuteronomium 1:2424Zij drongen tot aan de vallei Esjkol door, waar zij een wijnrank met een druiventros afsneden, die zij met hun tweeën aan een stok moesten dragen; bovendien nog wat granaatappels en vijgen.stylus25Men noemt die plaats Esjkol-vallei om de druiventros, die de Israëlieten daar hadden afgesneden.stylusExodus 34:28, Exodus 34:28, Exodus 24:18, Numeri 14:33, Numeri 14:3426Na het land te hebben verkend, keerden zij veertig dagen later terug,stylusNumeri 32:8, Numeri 32:8, Numeri 20:1, Numeri 20:1, Deuteronomium 1:1927en gingen naar Moses en Aäron en heel de gemeenschap der Israëlieten in de woestijn Paran te Kadesj, waar zij hun en heel de gemeenschap verslag uitbrachten, en hun de vruchten van het land lieten zien.stylusExodus 3:8, Exodus 3:8, Exodus 3:17, Exodus 3:17, Exodus 13:528Zij vertelden hem: Wij zijn dan in het land geweest, waar gij ons hebt heengezonden, en het druipt werkelijk van melk en honing; hier hebt ge zijn vruchten.stylusDeuteronomium 1:28, Deuteronomium 9:1, Deuteronomium 9:2, Deuteronomium 1:28, Deuteronomium 9:129Maar het volk, dat het land bewoont, is sterk en de steden zijn ontoegankelijk en zeer groot; bovendien hebben wij daar de Anakskinderen gezien.stylusNumeri 14:43, Numeri 14:43, Richteren 6:3, Richteren 6:3, Numeri 14:2530De Amalekieten wonen in de Négeb; de Chittieten, Jeboesieten en Amorieten in de bergen: en de Kanaänieten langs de zee en langs de oever van de Jordaan.stylusNumeri 14:24, Romeinen 8:31, Numeri 14:24, Romeinen 8:31, Filippenzen 4:1331Kaleb trachtte nog het volk, dat om Moses stond, gerust te stellen, en sprak: Laat ons zo gauw mogelijk optrekken, en het veroveren; want we kunnen het gemakkelijk aan!stylusDeuteronomium 1:28, Deuteronomium 1:28, Jozua 14:8, Jozua 14:8, Hebreeën 3:1932Maar de mannen, die met hem waren opgetrokken, beweerden: We kunnen niet oprukken tegen dat volk; want het is sterker dan wij.stylusAmos 2:9, Amos 2:9, Numeri 14:36, Numeri 14:37, Numeri 14:3633En nu begonnen ze onder de Israëlieten allerlei praatjes te vertellen over het land, dat zij hadden verkend, en zeiden: Het land, dat we hebben doorkruist, om het te verkennen, verslindt zijn bewoners, en al het volk, dat we daar hebben gezien, is vreselijk groot.stylusDeuteronomium 1:28, Deuteronomium 1:28, Jesaja 40:22, Jesaja 40:22, Genesis 6:434We hebben daar zelfs reuzen gezien, bij wie wij wel sprinkhanen leken, zowel in onze eigen ogen als in die van hen.stylus