1Toen alle koningen aan de overzijde van de Jordaan, in het bergland, in de Sjefela en langs heel de kust van de Grote Zee tot de Libanon toe, dit vernamen, verbonden de Chittieten en Amorieten, de Kanaänieten en Perizzieten, de Chiwwieten en JeboesietenstylusNumeri 34:6, Numeri 34:6, Exodus 3:17, Exodus 3:17, Exodus 23:232zich met elkander, om met vereende krachten Josuë en Israël te bestrijden.stylusPsalmen 2:1, Psalmen 2:2, Handelingen 4:26, Handelingen 4:28, Psalmen 83:23Maar zodra de inwoners van Gibon hoorden, wat Josuë met Jericho en Ai had gedaan,stylusJozua 10:2, Jozua 10:2, Jozua 9:17, Jozua 9:17, 2 Samuël 21:14gingen ook zij listig te werk. Ze begaven zich vermomd op weg, namen versleten zakken voor hun ezels, versleten wijnzakken, gescheurd en genaaid,stylusMarcus 2:22, Lucas 16:8, Mattheüs 10:16, Lucas 5:37, Lucas 5:385trokken afgedragen en gelapte sandalen aan hun voeten en versleten kleren aan het lijf, terwijl al het brood voor onderweg al uitgedroogd en verkruimeld was.stylusLucas 15:22, Lucas 15:22, Deuteronomium 29:5, Jozua 9:13, Deuteronomium 33:256Zo trokken ze naar Josuë in het kamp te Gilgal, en zeiden tot hem en de Israëlieten: Wij zijn uit een ver land gekomen; sluit dus met ons een verbond.stylusJozua 5:10, Jozua 5:10, 2 Koningen 20:14, 2 Koningen 20:14, Deuteronomium 20:117Maar de Israëlieten zeiden tot de Chiwwieten: Misschien woont ge wel vlak bij ons; hoe kunnen we dan met u een verbond sluiten?stylusJozua 11:19, Jozua 11:19, Richteren 2:2, Richteren 2:2, Deuteronomium 7:28Toen zeiden ze tot Josuë: We zijn uw dienstknechten. Maar Josuë vroeg hun: Wie zijt ge, en waar komt ge vandaan?stylus2 Koningen 10:5, Deuteronomium 20:11, 2 Koningen 10:5, Deuteronomium 20:11, Jozua 9:119Ze antwoordden hem: Uit een zeer ver land zijn uw dienaren gekomen, om de faam van Jahweh, uw God. Want we hebben van Hem gehoord, en van al wat Hij heeft gedaan in Egypte,stylusJozua 9:24, Deuteronomium 20:15, Jozua 9:24, Deuteronomium 20:15, Jozua 2:910en aan de beide amorietische koningen over de Jordaan, Sichon, den koning van Chesjbon, en Og, den koning van Basjan, te Asjtarot.stylusDeuteronomium 2:30, Deuteronomium 3:7, Numeri 21:24, Numeri 21:35, Jozua 12:411Daarom zeiden onze oudsten en al onze landgenoten tot ons: Neemt levensmiddelen voor onderweg met u mee, gaat hun tegemoet en zegt hun: "We zijn uw dienaars; sluit dus een verbond met ons."stylusJozua 9:8, Esther 8:17, Jozua 9:8, Esther 8:17, Lucas 9:312Dit is ons brood; vers namen we het als proviand uit onze huizen mee, toen we naar u op reis gingen; nu is het uitgedroogd en verkruimeld.stylusJozua 9:4, Jozua 9:5, Jozua 9:4, Jozua 9:513Hier zijn de wijnzakken, die we vulden, toen ze nog nieuw waren; nu zijn ze gescheurd. En hier zijn onze kleren en schoenen; ze zijn versleten van de zeer lange reis.stylus14Toen namen de mannen van hun proviand, zonder Jahweh te raadplegen.stylusSpreuken 3:5, Spreuken 3:6, Spreuken 3:5, Spreuken 3:6, Numeri 27:2115Ook Josuë wenste hun de vrede, en sloot met hen een verbond, dat hij hen zou sparen; en de overheden van het vergaderde volk beloofden het hun onder ede.stylus2 Samuël 21:2, 2 Samuël 21:2, Deuteronomium 20:10, Deuteronomium 20:11, Jozua 11:1916Drie dagen, nadat ze met hen het verbond hadden gesloten, hoorden ze echter, dat ze hun naaste buren waren, en vlak bij hen woonden.stylusSpreuken 12:19, Spreuken 12:1917Toen braken de Israëlieten op, en kwamen de derde dag bij hun steden; het waren Gibon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim.stylusJozua 18:25, Jozua 18:28, Ezra 2:25, Jozua 18:25, Jozua 18:2818Toch sloegen de zonen Israëls hen niet neer, daar de overheden van het vergaderde volk het hun bij Jahweh, Israëls God, hadden gezworen. Wel begon het hele volk tegen de overheden te morren,stylusPsalmen 15:4, Psalmen 15:4, Prediker 5:2, Prediker 9:2, Prediker 5:619maar al de overheden gaven heel de gemeenschap ten antwoord: We hebben het hun zelf bij Jahweh, Israëls God, onder ede beloofd, en kunnen hun dus geen kwaad doen.stylusPrediker 8:2, Prediker 8:2, Jeremia 4:2, Prediker 9:2, Jozua 9:2020Dit moeten we doen: We moeten ze sparen, opdat de toorn niet over ons losbreekt om de eed, die we hun hebben gezworen.stylusSpreuken 20:25, Maleachi 3:5, Spreuken 20:25, Maleachi 3:5, 2 Kronieken 36:1321Daarom bepaalden de overheden te hunnen opzichte, dat ze gespaard zouden blijven, maar dat ze volgens het voorschrift der overheden hout moesten hakken en water putten voor het hele volk.stylusDeuteronomium 29:11, Deuteronomium 29:11, Jozua 9:27, Jozua 9:23, Jozua 9:2722Josuë ontbood hen dus, en sprak tot hen: Waarom hebt ge ons bedrogen door te zeggen: "We wonen heel ver van u af," terwijl ge toch vlak bij ons woont?stylusJozua 9:6, Jozua 9:6, Jozua 9:16, Jozua 9:16, Genesis 27:3523Weest daarom vervloekt! Steeds zullen er van u als slaven hout moeten hakken en water putten voor het huis van mijn God.stylusJozua 9:21, Jozua 9:21, Leviticus 27:28, Leviticus 27:29, Genesis 9:2524Ze gaven Josuë ten antwoord: Het was aan uw dienaren heel goed bekend, dat Jahweh, uw God, aan zijn dienaar Moses gezegd had, dat Hij u het hele land geven zou, en al zijn bewoners voor u zou verdelgen. Daarom werden we zeer bevreesd, dat ge ons het leven zoudt nemen, en hebben we aldus gehandeld.stylusDeuteronomium 20:15, Deuteronomium 20:17, Deuteronomium 7:1, Deuteronomium 7:2, Deuteronomium 20:1525We staan nu te uwer beschikking; doe met ons wat u goed en recht lijkt.stylusGenesis 16:6, Genesis 16:6, Jeremia 26:14, Richteren 10:15, Jeremia 26:1426Zo deed Josuë. Hij redde hen uit de handen der Israëlieten, zodat ze hen niet doodden;stylus27maar Josuë gaf hun die dag tot taak, hout te hakken en water te putten voor heel het volk en voor Jahweh’s altaar op de plaats, welke hij zou uitkiezen. En dat doen ze nu nog.stylusDeuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5