Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Jozua Hoofdstuk 8

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
JOZUA

Jozua 8

1Toen sprak Jahweh tot Josuë: Wees niet bang, en verlies de moed niet; neem al het krijgsvolk met u mee, en maak u gereed, tegen Ai op te trekken. Zie, Ik lever den koning van Ai met zijn volk, zijn stad en zijn land aan u over.
Jozua 1:9, Jozua 1:9, Deuteronomium 1:21, Deuteronomium 7:18, Deuteronomium 1:21
2Dan moet ge met Ai en zijn koning doen, wat ge met Jericho en zijn koning hebt gedaan; maar zijn have en vee moogt ge tot uw eigen buit verklaren. Leg echter een hinderlaag aan de westkant der stad.
Deuteronomium 20:14, Deuteronomium 20:14, Jozua 6:21, Spreuken 13:22, 2 Kronieken 20:22
3Nu maakte Josuë met al het krijgsvolk zich gereed tot de aanval op Ai. Hij zonderde dertig duizend dappere mannen af, die hij des nachts uitzond
Mattheüs 25:6, Mattheüs 24:50, Mattheüs 24:39, 1 Tessalonicenzen 5:2, Mattheüs 25:6
4met het bevel: Let op; ge moet u aan de westkant der stad in hinderlaag leggen, niet te ver van de stad, en u allen gereed houden.
Richteren 20:29, Richteren 20:29, Prediker 9:16, 1 Samuël 15:5, Richteren 9:25
5Ik zal met al mijn volk tegen de stad oprukken, en als ze dan weer tegen ons uittrekken zoals de vorige keer, nemen we voor hen de vlucht.
Jozua 7:5, Jozua 7:5, Richteren 20:31, Richteren 20:33, Mattheüs 10:16
6Ze moeten ons achterna zetten, tot wij ze van de stad hebben afgesneden. Want ze zullen denken: Ze vluchten voor ons als de vorige keer. Maar wanneer wij voor hen vluchten,
Richteren 20:32, Prediker 8:11, Exodus 14:3, Exodus 15:9, Prediker 9:12
7komt gij uit de hinderlaag, en maakt u meester van de stad; want Jahweh, uw God, levert ze u over.
Spreuken 21:30, Spreuken 21:31, Spreuken 21:30, Spreuken 21:31, Jozua 8:1
8En zodra ge de stad hebt bezet, steekt ge haar in brand. Zo moet ge doen naar Jahweh’s bevel; zie, ik leg het u op!
Jozua 1:9, Jozua 1:16, 2 Samuël 13:28, Jozua 1:9, Jozua 1:16
9Toen zond Josuë hen heen. Ze legden zich in hinderlaag, en legerden zich tussen Betel en Ai, ten westen van Ai, terwijl Josuë zelf de nacht doorbracht in de vallei.
Genesis 32:21, Jozua 7:2, Ezra 2:28, Nehemia 7:32, Jozua 8:12
10Vroeg in de morgen monsterde Josuë het volk, en trok met de oudsten van Israël aan de spits van het volk tegen Ai op.
Genesis 22:3, Psalmen 119:60, Jozua 6:12, Jozua 3:1, Jozua 7:16
11Heel de krijgsmacht, die hem vergezelde, rukte uit, en toen ze vlak bij de stad waren gekomen, legerden ze zich ten noorden van Ai, zodat het dal tussen hen en Ai lag.
12Maar ongeveer vijf duizend man had hij afgezonderd, en in een hinderlaag tussen Betel en Ai gelegd, ten westen van de stad.
Jozua 8:2, Jozua 8:3, Jozua 8:2, Jozua 8:3
13Zo stelde men dus het volk op, nadat Josuë de nacht in de vallei had doorgebracht: de hele krijgsmacht ten noorden, en haar achterhoede ten westen van de stad.
Jozua 8:8, Jozua 8:12, Jozua 8:8, Jozua 8:12
14Toen de koning van Ai dit bemerkte, maakten de mannen der stad zich in allerijl gereed, en rukten uit om Israël te bestrijden. Met heel zijn volk trok hij op naar de helling vóór de vlakte, zonder te weten, dat hem aan de westkant van de stad een hinderlaag was gelegd.
Mattheüs 24:39, Mattheüs 24:39, Jozua 8:16, Prediker 9:12, Richteren 20:34
15Josuë en heel Israël lieten zich door hen verslaan, en vluchtten in de richting van de woestijn.
Jozua 18:12, Jozua 18:12, Jozua 15:61, Jozua 16:1, Richteren 20:36
16Nu werd al het volk opgeroepen, dat in de stad was, om hen achterna te zetten; maar doordat ze Josuë achtervolgden, sneden ze zich af van de stad.
Richteren 20:31, Richteren 20:31, Richteren 20:36, Richteren 20:39, Openbaring 16:14
17Geen man bleef in Ai achter; geen man, die niet uittrok, om de Israëlieten te achtervolgen; zelfs de poorten der stad lieten ze open, en renden maar achter de Israëlieten aan.
Jozua 8:3, Job 5:13, Deuteronomium 2:30, Jesaja 19:11, Jesaja 19:13
18Toen sprak Jahweh tot Josuë: Steek de speer, die ge in uw hand houdt, naar Ai uit; want Ik heb het aan u overgeleverd. En Josuë stak de speer uit, die hij in zijn hand had, in de richting van Ai.
Jozua 8:26, Jozua 8:26, Job 15:25, Job 15:25, 1 Samuël 17:41
19Zodra hij zijn hand had uitgestrekt, stond het volk, dat in hinderlaag lag, vlug van zijn plaats op, rende de stad binnen, maakte zich van haar meester, en stak haar ijlings in brand.
20En toen de mannen van Ai wilden terugkeren, zagen ze, dat de rook van de stad ten hemel steeg. Ze hadden geen kans meer, langs een of andere weg te ontkomen, daar het volk, dat naar de woestijn was gevlucht, zich nu tegen zijn achtervolgers keerde.
Openbaring 6:15, Openbaring 6:17, Psalmen 48:5, Psalmen 48:6, Openbaring 18:9
21Want nauwelijks hadden Josuë en heel Israël gezien, dat het volk in hinderlaag de stad had genomen, en dat er al rook uit opsteeg, of ze keerden zich om, en sloegen in op de mannen van Ai.
22Nu kwamen ook die anderen hun uit de stad tegemoet, zodat zij zich midden tussen de Israëlieten bevonden. Van beide kanten sloegen ze op hen in, zodat er niemand overbleef of ontsnapte.
Deuteronomium 7:2, Deuteronomium 7:2, Jozua 6:21, 1 Tessalonicenzen 5:3, Lucas 17:26
23Den koning van Ai namen ze levend gevangen, en brachten hem voor Josuë.
1 Samuël 15:8, 1 Samuël 15:8, Jozua 10:17, Openbaring 19:20, Jozua 8:29
24En toen Israël alle inwoners van Ai op het veld en in de woestijn, waar ze hen hadden achtervolgd, had omgebracht, en ze allen zonder uitzondering door het zwaard waren gevallen, keerde heel Israël naar Ai terug, en joeg het over de kling.
Jozua 11:10, Jozua 11:14, Jozua 11:10, Jozua 11:14, Jozua 10:30
25Het getal der gesneuvelden, zowel mannen als vrouwen, bedroeg toen twaalf duizend; het was heel de bevolking van Ai.
Deuteronomium 20:16, Deuteronomium 20:18, Deuteronomium 20:16, Deuteronomium 20:18
26Eerst nadat Josuë alle bewoners van Ai met de ban had geslagen, trok hij zijn hand terug, waarmee hij de speer hield uitgestrekt.
Exodus 17:11, Exodus 17:12, Exodus 17:11, Exodus 17:12, Jozua 8:18
27Alleen het vee en de have van die stad eigenden de Israëlieten zich toe volgens het bevel, dat Jahweh aan Josuë had gegeven.
Jozua 8:2, Jozua 8:2, Numeri 31:22, Psalmen 50:10, Mattheüs 20:15
28Tenslotte liet Josuë Ai plat branden, en maakte het voor altijd tot een puinhoop en een woestenij tot op de huidige dag.
Deuteronomium 13:16, Deuteronomium 13:16, Jesaja 17:1, Jesaja 25:2, Jeremia 49:2
29Den koning van Ai liet hij tot de avond aan een paal hangen: eerst bij zonsondergang beval Josuë, het lijk er af te halen. Men wierp het neer bij de ingang van de stadspoort, en stapelde er een grote steenhoop op, die er nu nog ligt.
Deuteronomium 21:22, Deuteronomium 21:23, Jozua 7:26, 2 Samuël 18:17, Deuteronomium 21:22
30In die tijd bouwde Josuë op de berg Ebal een altaar voor Jahweh, Israëls God,
Deuteronomium 27:4, Deuteronomium 27:6, Deuteronomium 27:4, Deuteronomium 27:6, Genesis 12:7
31zoals Moses, de dienaar van Jahweh, het aan de kinderen Israëls had bevolen. Het was een altaar van onbehouwen stenen, niet met ijzer bewerkt, zoals het in het boek van Moses was voorgeschreven. Daarop droeg men aan Jahweh brandoffers op, en slachtte men vredeoffers.
Deuteronomium 27:5, Deuteronomium 27:7, Deuteronomium 27:5, Deuteronomium 27:7, Exodus 20:24
32Daarna liet hij daar, ten aanschouwen van Israëls kinderen op de stenen een afschrift aanbrengen van de wet, die Moses had opgeschreven.
Deuteronomium 27:2, Deuteronomium 27:3, Deuteronomium 27:8, Deuteronomium 27:2, Deuteronomium 27:3
33Toen stelde heel Israël, zowel vreemdelingen als eigen volk, zich op met zijn oudsten, leiders en rechters aan beide kanten van de ark tegenover de levietische priesters, die de ark van Jahweh’s Verbond droegen. De ene helft was naar de berg Gerizzim gekeerd, de andere helft naar de berg Ebal; en zoals Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, werd vooraf het volk van Israël gezegend.
Deuteronomium 11:29, Deuteronomium 11:29, Deuteronomium 31:12, Deuteronomium 31:12, Deuteronomium 31:9
34Daarna las hij de hele wet hardop voor, de zegening zowel als de vloek; alles zoals het beschreven staat in het boek der wet.
Nehemia 8:2, Nehemia 8:3, Nehemia 8:2, Nehemia 8:3, Nehemia 13:1
35Geen woord van alles, wat Moses bevolen had, dat Josuë niet voorlas voor het vergaderde volk van Israël: voor de mannen, vrouwen en kinderen, en ook voor de vreemden, die met hen meereisden.
Deuteronomium 31:12, Deuteronomium 31:12, Nehemia 8:2, Nehemia 8:2, Jeremia 26:2

Andere Boeken

JozuaRichterenRuth+

Andere Boeken

JozuaHfst. 8
RichterenRuth1 Samuël2 Samuël1 Koningen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward