Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Jozua Hoofdstuk 7

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
JOZUA

Jozua 7

1Maar de Israëlieten hadden zich toch aan de ban vergrepen. Want Akan, de zoon van Karmi, zoon van Zabdi, zoon van Zara, uit de stam Juda, had iets genomen wat met de ban was geslagen, zodat de toorn van Jahweh tegen de Israëlieten ontbrand was.
Jozua 22:20, Jozua 22:20, 1 Kronieken 2:6, 1 Kronieken 2:7, Prediker 9:18
2Nu zond Josuë uit Jericho mannen naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt ten oosten van Betel, met de opdracht: Gaat het land verkennen! De mannen trokken dus uit, om Ai te verspieden.
Jozua 18:12, Jozua 18:12, Hosea 4:15, 1 Samuël 13:5, 1 Samuël 14:23
3Bij hun terugkeer zeiden ze tot Josuë: Laat niet het hele volk optrekken; als er twee of drie duizend man gaan, nemen ze Ai wel in. Ge behoeft niet het hele volk te vermoeien; want ze zijn daarginds niet talrijk.
Hebreeën 6:11, Hebreeën 6:12, Hebreeën 6:11, Hebreeën 6:12, Lucas 13:24
4Zo trokken ongeveer drie duizend man van het volk er op af. Maar ze moesten vluchten voor de bewoners van Ai,
Deuteronomium 28:25, Deuteronomium 28:25, Leviticus 26:17, Leviticus 26:17, Deuteronomium 32:30
5en dezen sloegen er zes en dertig van hen neer, achtervolgden hen buiten de poort tot bij de steengroeven, en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk als water.
Jozua 2:11, Jozua 2:9, Jozua 2:11, Jozua 2:9, Leviticus 26:36
6Nu scheurde Josuë zijn kleren, en wierp zich met de oudsten van Israël plat ter aarde voor de ark van Jahweh tot de avond toe. Ze strooiden zich stof op het hoofd,
Genesis 37:29, Genesis 37:29, Genesis 37:34, Genesis 37:34, 2 Samuël 13:31
7en Josuë sprak: Ach Jahweh, mijn Heer; waarom hebt Gij dit volk dan over de Jordaan gebracht? Om ons aan de Amorieten over te leveren, om ons in het verderf te storten? Hadden we toch maar besloten, om in het Overjordaanse te blijven!
2 Koningen 3:10, Hebreeën 12:5, 2 Koningen 3:10, Hebreeën 12:5, Jozua 1:2
8Ach Heer, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd?
Romeinen 3:5, Romeinen 3:6, Romeinen 3:5, Romeinen 3:6, Ezra 9:10
9Als de Kanaänieten en alle bewoners van het land het vernemen, zullen ze ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En hoe wilt Gij dan zorgen voor uw grote Naam?
Exodus 32:12, Exodus 32:12, Ezechiël 36:22, Ezechiël 36:23, Psalmen 83:4
10Jahweh gaf Josuë ten antwoord: Sta op! Wat ligt ge hier op uw aangezicht neer?
Exodus 14:15, 1 Samuël 16:1, 1 Samuël 15:22, Exodus 14:15, 1 Samuël 16:1
11Israël heeft gezondigd: ze hebben het verbond geschonden, dat Ik ze had opgelegd: ze hebben iets weggenomen wat met de ban was geslagen, het gestolen en stil bij hun huisraad verborgen.
Handelingen 5:1, Handelingen 5:2, Handelingen 5:1, Handelingen 5:2, Jozua 6:17
12Daarom zijn de Israëlieten niet opgewassen tegen hun vijanden, daarom slaan ze voor hen op de vlucht; want ze zijn onder de ban gekomen, en Ik zal niet langer met u zijn, tenzij ge de ban uit uw midden verwijdert.
Psalmen 5:4, Psalmen 5:5, Psalmen 5:4, Psalmen 5:5, Jesaja 59:2
13Sta op, heilig het volk en beveel: Heiligt u voor morgen! Want aldus spreekt Jahweh, Israëls God: "Israël, er is iets onder u, dat door de ban is getroffen. Ge zult niet opgewassen zijn tegen uw vijanden, tot gij die ban uit uw midden hebt verwijderd."
Klaagliederen 3:40, Klaagliederen 3:41, Klaagliederen 3:40, Klaagliederen 3:41, Jozua 3:5
14Ge moet daarom morgen stam voor stam aantreden; daarna de stam, die Jahweh zal aanwijzen, geslacht voor geslacht; vervolgens het geslacht, dat Jahweh zal aanwijzen, familie voor familie; dan de familie, die Jahweh zal aanwijzen, man voor man.
Spreuken 16:33, Spreuken 16:33, Jozua 7:17, Jozua 7:18, Jona 1:7
15Wie dan wordt aangewezen als schuldig aan de ban, moet met al, wat hem toebehoort, worden verbrand, omdat hij het verbond met Jahweh heeft geschonden en een zonde in Israël begaan.
Genesis 34:7, Genesis 34:7, Richteren 20:6, 1 Samuël 14:38, 1 Samuël 14:39
16Vroeg in de morgen liet Josuë dus de Israëlieten stam voor stam aantreden; aangewezen werd de stam Juda.
Prediker 9:10, Jozua 3:1, Psalmen 119:60, Genesis 22:3, Prediker 9:10
17Daarna de geslachten van Juda; en het geslacht Zara werd aangewezen. Vervolgens het geslacht van Zara naar zijn families; en aangewezen werd de familie Zabdi.
Numeri 26:20, Numeri 26:20, 1 Kronieken 2:4, 1 Kronieken 2:7, Genesis 38:30
18Ten slotte die familie man voor man; en aangewezen werd Akan, de zoon van Karmi, zoon van Zabdi, zoon van Zara, uit de stam Juda.
Numeri 32:23, Numeri 32:23, Handelingen 5:1, Handelingen 5:10, Handelingen 5:1
19Nu sprak Josuë tot Akan: Mijn zoon, geef eer aan Jahweh, Israëls God, en breng Hem hulde, door mij te bekennen, wat ge gedaan hebt, zonder mij iets te verzwijgen.
1 Samuël 6:5, 1 Samuël 6:5, Jeremia 13:16, Jeremia 13:16, Johannes 9:24
20En Akan antwoordde Josuë: Ja, ik heb gezondigd tegen Jahweh, Israëls God. Dit heb ik gedaan.
Psalmen 38:18, Psalmen 38:18, 1 Samuël 15:30, Mattheüs 27:4, Exodus 10:16
21Toen ik onder de buit een mooie babylonische mantel, twee honderd zilveren sikkels en een gouden staaf ter waarde van vijftig sikkels bemerkte, wilde ik die graag hebben, en nam ze mee. Alles is in de grond verstopt midden in mijn tent, het zilver onderop.
Jakobus 1:15, Jakobus 1:15, Psalmen 119:37, 1 Johannes 2:15, 1 Johannes 2:16
22Nu liet Josuë een paar mannen vlug naar de tent gaan; het was inderdaad in de tent verstopt, en het zilver lag onderop.
23Ze haalden het uit de tent weg, brachten het bij Josuë, en heel Israël legde het voor Jahweh neer.
24Toen nam Josuë, en heel Israël met hem, Akan, den zoon van Zara, met het zilver, de mantel en de gouden staaf, met zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en schapen, met zijn tent en heel zijn bezit, en bracht ze naar de vallei van Akor.
Spreuken 15:27, Spreuken 15:27, 1 Timotheüs 6:9, 1 Timotheüs 6:10, 1 Timotheüs 6:9
25En Josuë sprak: Hoe hebt gij ons in het ongeluk gestort! Daarom stort Jahweh thans u in het ongeluk! Heel Israël stenigde hem,
Jozua 6:18, Jozua 6:18, 1 Kronieken 2:7, 1 Kronieken 2:7, Deuteronomium 17:5
26en stapelde een grote steenhoop boven hem op, die er nu nog is. Toen bedaarde Jahweh’s ziedende toorn. Daarom heet die plaats tot op de huidige dag: Vallei van Akor.
Hosea 2:15, Jesaja 65:10, Hosea 2:15, Jesaja 65:10, Deuteronomium 13:17

Andere Boeken

JozuaRichterenRuth+

Andere Boeken

JozuaHfst. 7
RichterenRuth1 Samuël2 Samuël1 Koningen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward