1Intussen bleef Jericho nu met het oog op de Israëlieten zorgvuldig gesloten; niemand kwam er uit of in.stylusJozua 2:9, Jozua 2:14, Jozua 2:24, Jozua 2:9, Jozua 2:142Maar Jahweh sprak tot Josuë: Let op; Ik lever Jericho met zijn koning en dapperen aan u over.stylusDeuteronomium 7:24, Deuteronomium 7:24, Jozua 8:1, Jozua 8:1, Jozua 2:243Zes dagen lang moet gij met alle strijdbare mannen éénmaal rond de stad heen trekken,stylus2 Korintiërs 4:7, 2 Korintiërs 4:7, Numeri 14:9, Numeri 14:9, Jozua 6:74en moeten zeven priesters zeven bazuinen van ramshorens voor de ark uit dragen. Maar op de zevende dag moet ge zeven keer om de stad heen trekken, en moeten de priesters op de bazuinen blazen.stylusOpenbaring 16:1, 2 Kronieken 20:17, Openbaring 16:1, 2 Kronieken 20:17, Openbaring 8:25Zodra zij dan op de ramshoren blazen en gij het bazuingeschal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen; dan zal de stadsmuur instorten en het volk naar boven stormen, iedereen recht voor zich uit.stylus2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:5, 2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:5, Hebreeën 11:306Josuë, de zoon van Noen, riep dus de priesters, en zeide hun: Neemt de Verbondsark op, en laat zeven priesters voor de ark van Jahweh uit zeven bazuinen van ramshorens dragen.stylusDeuteronomium 20:2, Deuteronomium 20:4, Handelingen 9:1, Deuteronomium 20:2, Deuteronomium 20:47En tot het volk zeide hij: Trekt rond de stad; die gewapend zijn, moeten voor Jahweh’s ark uit gaan.stylusJozua 4:13, Jozua 4:13, Jozua 1:14, Jozua 6:3, Jozua 1:148Toen Josuë tot het volk had gesproken, trokken de zeven priesters op, terwijl ze de zeven bazuinen van ramshorens vóór Jahweh uit droegen en er op bliezen; de ark van Jahweh’s Verbond kwam achter hen aan.stylusNumeri 32:20, Numeri 32:20, Jozua 6:3, Jozua 6:4, Jozua 6:39Die gewapend waren gingen voor de priesters uit, die op de bazuinen bliezen, terwijl de tros de ark volgde; en onder het gaan bleef men op de bazuinen blazen.stylusJozua 6:13, Jozua 6:13, Jesaja 58:8, Numeri 10:25, Jesaja 58:810Maar Josuë beval het volk eveneens: Schreeuwt niet, en laat uw stem zelfs niet horen; geen woord mag er over uw lippen komen tot de dag. waarop ik u zeg: Schreeuwt; en dan moet ge schreeuwen.stylusMattheüs 12:19, Jesaja 42:2, Lucas 24:49, Mattheüs 12:19, Jesaja 42:211Hij liet dus de ark éénmaal rond de stad dragen, waarna men het kamp binnenging en daar overnachtte.stylus12Zodra Josuë de volgende morgen alles geregeld had, namen de priesters de ark van Jahweh weer op,stylusHebreeën 11:7, Hebreeën 11:8, Jozua 3:1, Hebreeën 11:7, Hebreeën 11:813en gingen de zeven priesters, die de zeven bazuinen van ramshorens voor Jahweh’s ark uit droegen, blazend op de bazuinen op weg, terwijl de gewapenden voor hen uittrokken, en de tros de ark van Jahweh volgde. En onder het gaan bleef men voortdurend op de bazuinen blazen.stylusGalaten 6:9, Galaten 6:9, Mattheüs 24:13, Mattheüs 24:13, 1 Kronieken 15:2614Ook die tweede dag trokken ze één keer de stad rond, en keerden daarna in het kamp terug. Zo deden ze zes dagen lang.stylusJozua 6:11, Jozua 6:15, Jozua 6:3, Jozua 6:11, Jozua 6:1515Maar toen ze zich op de zevende dag bij het aanbreken van de morgen gereed hadden gemaakt, trokken ze op dezelfde wijze zeven maal rond de stad; dus alleen op die dag zijn ze zeven maal rond de stad getrokken.stylusPsalmen 119:147, Psalmen 119:147, 2 Petrus 1:19, Mattheüs 28:1, 2 Petrus 1:1916En toen de priesters bij de zevende keer op de bazuinen bliezen, riep Josuë het volk toe: Schreeuwt; want Jahweh levert u de stad over!stylusJozua 6:5, 2 Kronieken 20:22, 2 Kronieken 20:23, Richteren 7:20, Richteren 7:2217Ter ere van Jahweh moet de stad en al, wat erin is, met de banvloek worden geslagen; alleen de deerne Rachab moet met al haar familieleden gespaard blijven, omdat ze de boden, die wij gestuurd hadden, schuil heeft gehouden.stylusDeuteronomium 20:17, Deuteronomium 20:17, Micha 4:13, Jakobus 2:25, Micha 4:1318Maar weest voorzichtig met de ban, opdat ge niet uit hebzucht iets neemt wat met de ban is geslagen; anders brengt ge het leger van Israël onder de ban, en stort ge het in het ongeluk.stylus1 Johannes 5:21, 1 Johannes 5:21, Efeziërs 5:11, Efeziërs 5:11, Jozua 7:1119Al het zilver en het goud met alle koperen en ijzeren voorwerpen zijn aan Jahweh gewijd, en moeten dus in Jahweh’s schatkamer komen.stylus1 Kronieken 26:20, Mattheüs 27:6, 1 Kronieken 26:20, Mattheüs 27:6, Marcus 12:4120Nu begon het volk te juichen en blies men op de bazuinen; en zodra het volk het bazuingeschal hoorde, schreeuwde het uit alle macht. De stadsmuur stortte in, en het volk stormde naar boven, de stad in, iedereen recht voor zich uit. Ze namen de stad,stylusHebreeën 11:30, Hebreeën 11:30, 2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:5, 2 Korintiërs 10:421sloegen allen, die in de stad waren, met de banvloek: mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, met runderen, schapen en ezels, en joegen ze over de kling.stylusJeremia 48:18, Psalmen 137:8, Psalmen 137:9, Jeremia 48:18, Psalmen 137:822Maar tot de beide mannen, die het land hadden verkend, zei Josuë: Gaat naar het huis van de deerne, en haalt de vrouw eruit met allen, die bij haar behoren zoals ge het haar gezworen hebt.stylusHebreeën 11:31, Hebreeën 11:31, Jozua 6:17, Ezechiël 17:18, Ezechiël 17:1923De verkenners gingen naar binnen, en haalden Rachab met haar vader, moeder en broers en met al haar verwanten naar buiten. Ze brachten haar hele familie de stad uit, en wezen hun buiten het kamp van Israël een verblijfplaats aan.stylusHebreeën 11:7, Hebreeën 11:7, Efeziërs 2:12, Genesis 18:24, Numeri 31:1924De stad staken ze in brand met al, wat erin was; alleen het zilver en het goud en alle koperen en ijzeren voorwerpen borg men in de schatkamer van het huis van Jahweh op.stylusJozua 8:28, Jozua 8:28, 2 Koningen 25:9, Openbaring 17:16, 2 Koningen 25:925Josuë liet Rachab, de deerne, met het huis van haar vader en al haar verwanten in leven; tot op de huidige dag woont haar familie onder de Israëlieten, omdat ze de boden had schuil gehouden, die Josuë gezonden had, om Jericho te verkennen.stylusHebreeën 11:31, Hebreeën 11:31, Jakobus 2:25, Jozua 2:6, Richteren 1:2426In die dagen zwoer Josuë: Vervloekt voor Jahweh de man, Die het waagt, deze stad te herbouwen. Op zijn eerstgeborene zal hij Jericho’s grondvesten leggen, Op zijn jongsten zoon haar poorten plaatsen!stylus1 Koningen 16:34, 1 Koningen 16:34, Handelingen 19:13, Handelingen 19:13, Numeri 5:1927Zo was Jahweh met Josuë; en zijn faam ging door het hele land.stylusJozua 1:5, Jozua 9:3, Jozua 1:5, Jozua 9:3, Jozua 9:9