1Toen al de koningen der Amorieten aan de westelijke oever van de Jordaan, en al de kanaänietische koningen langs de zee hoorden, dat Jahweh het water van de Jordaan voor de Israëlieten zo lang had doen opdrogen, tot ze er over waren, sloeg hun de schrik om het hart, en ontzonk hun de moed uit vrees voor de Israëlieten.stylusJozua 2:9, Jozua 2:11, Jozua 2:9, Jozua 2:11, Numeri 13:292In die tijd sprak Jahweh tot Josuë: Maak u stenen messen, en besnijd de kinderen Israëls een tweede maal.stylusDeuteronomium 10:16, Deuteronomium 30:6, Deuteronomium 10:16, Deuteronomium 30:6, Genesis 17:103En Josuë maakte zich stenen messen, en besneed de Israëlieten bij de Heuvel der voorhuiden.stylusGenesis 17:23, Genesis 17:27, Mattheüs 16:24, Genesis 17:23, Genesis 17:274Dit was de reden, dat Josuë hen liet besnijden: Van al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, hadden alle strijdbare mannen op hun uittocht uit Egypte de dood gevonden.stylus1 Korintiërs 10:5, Deuteronomium 2:16, Numeri 26:64, Numeri 26:65, 1 Korintiërs 10:55Nu was al het volk, dat uitgetrokken was, wel besneden; maar allen, die onderweg in de woestijn waren geboren na de uittocht uit Egypte, waren niet besneden.stylus1 Korintiërs 7:19, Romeinen 2:26, Mattheüs 12:7, Galaten 6:15, Deuteronomium 12:86Want veertig jaar hadden de Israëlieten door de woestijn gezworven, tot er niemand meer over was van heel het volk, van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken: van allen, die niet naar de stem van Jahweh hadden geluisterd, en aan wie Jahweh gezworen had, dat Hij hun het land niet zou laten zien, dat Hij hun vaderen onder ede beloofd had, ons te zullen geven, een land, dat druipt van melk en honing.stylusNumeri 14:23, Numeri 14:23, Deuteronomium 2:14, Deuteronomium 2:14, Hebreeën 3:117Nu had Hij hun zonen in hun plaats gesteld, en hen liet Josuë besnijden; want ze waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet had kunnen besnijden.stylusNumeri 14:31, Deuteronomium 1:39, Numeri 14:31, Deuteronomium 1:398Nadat de besnijdenis van heel het volk was verricht, bleven ze daar in de legerplaats, tot ze genezen waren.stylusGenesis 34:25, Genesis 34:259En Jahweh sprak tot Josuë: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld! Daarom noemde hij die plaats Gilgal; zo heet ze nu nog.stylusGenesis 34:14, 1 Samuël 17:26, Jozua 4:19, Genesis 34:14, 1 Samuël 17:2610Terwijl de Israëlieten in Gilgal legerden, vierden ze op de avond van de veertiende dag der maand het paasfeest op de vlakten van Jericho;stylusExodus 12:6, Exodus 12:6, Numeri 9:1, Numeri 9:5, Numeri 9:111en daags na het Pascha aten ze van de opbrengst van het land ongedesemd brood en geroosterd graan.stylusLeviticus 23:14, Leviticus 23:14, Leviticus 23:6, Exodus 13:6, Exodus 13:712Op dezelfde dag, dat ze van de opbrengst van het land aten, hield het manna op. De kinderen Israëls kregen geen manna meer, maar ze aten dat jaar wat het land Kanaän opbracht.stylusExodus 16:35, Exodus 16:35, Openbaring 7:16, Openbaring 7:17, Nehemia 9:2013Terwijl Josuë nu bij Jericho vertoefde, gebeurde het eens, dat hij opkeek, en een man voor zich zag staan met een getrokken zwaard in zijn hand. Josuë ging op hem af, en vroeg hem: Hoort gij bij ons of bij onze vijanden?stylusGenesis 18:2, Numeri 22:23, Genesis 18:2, Numeri 22:23, Numeri 22:3114Hij antwoordde: Bij geen van beiden; maar ik ben de aanvoerder van Jahweh ‘s heir; ik kom hier dus van pas. Toen viel Josuë plat ter aarde, huldigde hem, en vroeg hem: Wat heeft mijn Heer tot zijn dienaar te zeggen?stylusGenesis 17:3, Jesaja 55:4, Genesis 17:3, Jesaja 55:4, Exodus 23:2015En de aanvoerder van Jahweh’s heir gaf Josuë ten antwoord: Trek uw schoenen uit; want de plaats, waarop ge staat, is heilig. En Josuë deed het.stylusExodus 3:5, Exodus 3:5, Handelingen 7:32, Handelingen 7:33, Handelingen 7:3216stylus