Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 30

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 30

1Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd zij jaloers op haar zuster, en zei tegen Jakob: Geef mij zonen, anders ga ik dood.
Job 5:2, Job 5:2, Genesis 29:31, Genesis 29:31, Genesis 37:11
2Toornig gaf Jakob Rachel ten antwoord: Neem ik soms de plaats in van God, die een vrucht aan uw schoot heeft geweigerd?
Genesis 16:2, Genesis 16:2, Genesis 50:19, Psalmen 127:3, 1 Samuël 1:5
3Nu sprak ze: Hier hebt ge Bilha, mijn slavin; houd gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieën baren, en ook ik door middel van haar uw geslacht opbouwen.
Genesis 50:23, Genesis 50:23, Job 3:12, Job 3:12, Genesis 16:2
4Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob hield gemeenschap met haar.
Genesis 22:24, Genesis 16:3, Genesis 16:4, Genesis 35:22, Genesis 33:2
5Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
6En Rachel sprak: God heeft mij recht gedaan; Hij heeft ook naar mijn smeken geluisterd en mij een zoon geschonken; daarom noemde ze hem Dan.
Psalmen 43:1, Psalmen 35:24, Klaagliederen 3:59, Psalmen 43:1, Psalmen 35:24
7Weer werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Jakob een tweeden zoon.
8Nu sprak Rachel: Een heftige kamp heb ik met mijn zuster gestreden, en ik heb overwonnen. En ze noemde hem Neftali.
Mattheüs 4:13, Genesis 49:21, Mattheüs 4:13, Genesis 49:21, Deuteronomium 33:23
9Toen Lea zag, dat zij geen kinderen meer kreeg, nam zij Zilpa haar dienstmaagd, en gaf haar aan Jakob tot vrouw.
Genesis 30:4, Genesis 30:4, Genesis 30:17, Genesis 16:3, Genesis 29:35
10Ook Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.
11En Lea zeide: Wat een weelde! En ze noemde hem Gad.
Genesis 49:19, Genesis 49:19, Deuteronomium 33:20, Deuteronomium 33:21, Jesaja 65:11
12Nog baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een zoon.
13Nu sprak Lea: Wat een geluk! Nu prijzen de vrouwen mij gelukkig. En ze noemde hem Aser.
Lucas 1:48, Lucas 1:48, Hooglied 6:9, Genesis 49:20, Genesis 35:26
14Eens ging Ruben in de tijd van de tarweoogst het veld in, en vond er liefdesappeltjes, die hij naar zijn moeder Lea bracht. Nu vroeg Rachel aan Lea: Geef mij een paar appeltjes van uw zoon.
Hooglied 7:13, Hooglied 7:13, Genesis 25:30, Genesis 25:30
15Maar zij gaf haar ten antwoord: Is het al niet genoeg, dat ge mij mijn man hebt ontstolen; wilt ge me nu ook nog de appeltjes van mijn zoon ontroven? Rachel zeide: Dan mag hij vannacht bij u slapen, in ruil voor de appeltjes van uw zoon.
Numeri 16:13, Numeri 16:13, 1 Korintiërs 4:3, Numeri 16:9, Numeri 16:10
16Toen Jakob dus in de avond van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en sprak: Bij mij moet ge komen; want ik heb er eerlijk voor betaald met de appeltjes van mijn zoon. Die nacht sliep hij dus bij haar.
17En God verhoorde Lea: zij werd zwanger, en baarde Jakob een vijfden zoon.
Lucas 1:13, Genesis 30:22, 1 Samuël 1:20, 1 Samuël 1:26, 1 Samuël 1:27
18En Lea sprak: God heeft mij er voor beloond, dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven. En zij noemde hem Issakar.
Genesis 49:14, Genesis 49:15, Genesis 35:23, Genesis 46:13, Deuteronomium 33:18
19Wederom werd Lea zwanger, en baarde Jakob een zesden zoon.
20Nu sprak Lea: God heeft mij een mooi geschenk gegeven; nu zal mijn man wel bij me blijven, want ik heb hem zes zonen gebaard. En ze noemde hem Zabulon.
Genesis 35:23, Mattheüs 4:13, Genesis 49:13, Genesis 35:23, Mattheüs 4:13
21Daarna baarde ze nog een dochter, die ze Dina noemde.
Genesis 46:15, Genesis 34:1, Genesis 34:3, Genesis 34:26, Genesis 46:15
22Nu gedacht God ook Rachel; Hij verhoorde haar, en opende haar schoot.
Genesis 29:31, Genesis 29:31, Genesis 8:1, Genesis 8:1, Psalmen 113:9
23Ook zij werd zwanger, en baarde een zoon. Nu zeide ze: God heeft mijn schande weggenomen.
Lucas 1:25, Lucas 1:25, Lucas 1:27, Genesis 29:31, Lucas 1:27
24Zij noemde hem Josef; want ze sprak: Jahweh geve me nog een anderen zoon.
Genesis 49:22, Genesis 49:26, Genesis 35:24, Genesis 49:22, Genesis 49:26
25Toen Rachel dan Josef had gebaard, zei Jakob tot Laban: Laat mij nu heengaan, en naar mijn stad en vaderland trekken.
Genesis 24:54, Genesis 24:54, Genesis 24:56, Genesis 24:56, Genesis 31:55
26Geef mij mijn vrouwen en kinderen, voor wie ik u heb gediend; dan kan ik vertrekken. Want ge weet, hoe ik voor u heb gezwoegd.
Genesis 29:30, Hosea 12:12, Genesis 29:30, Hosea 12:12, Genesis 31:38
27Maar Laban zeide hem: Laat mij genade vinden in uw ogen; want ik heb de tekens waargenomen, dat Jahweh mij om uwentwille heeft gezegend.
Ruth 2:13, Handelingen 7:10, Jesaja 61:9, Ruth 2:13, Handelingen 7:10
28En hij ging voort: Bepaal zelf het loon, dat ge van mij wilt hebben, en ik zal het u geven.
Genesis 29:15, Genesis 29:15, Genesis 29:19, Genesis 29:19
29Hij gaf hem ten antwoord: Gij weet, hoe ik u heb gediend, en hoe het onder mijn hoede met uw kudde is gegaan.
Genesis 31:6, Genesis 31:6, Genesis 31:38, Genesis 31:40, Genesis 31:38
30Want vóór mijn komst was uw bezit slechts gering, maar sedert dien is het geweldig vermeerderd; Jahweh heeft u gezegend bij iedere stap, die ik zette. Wanneer zal ik nu eindelijk eens voor mijn eigen gezin kunnen zorgen?
1 Timotheüs 5:8, 1 Timotheüs 5:8, 2 Korintiërs 12:14, 2 Korintiërs 12:14, Deuteronomium 11:10
31zeide: Wat moet ik u geven? Jakob antwoordde: Ge behoeft me eigenlijk helemaal niets te geven; als ge het volgende voorstel aanvaardt, zal ik opnieuw uw kudde weiden en hoeden.
Psalmen 118:8, 2 Samuël 21:4, 2 Samuël 21:6, Hebreeën 13:5, Psalmen 118:8
32Ik zal vandaag uw hele kudde langs gaan, om alle gevlekte en gespikkelde geiten en alle zwarte schapen af te zonderen. Alle gespikkelde en gevlekte geiten en älle zwarte schapenzullen mijn loon zijn.
Genesis 31:8, Genesis 31:8, Genesis 31:10, Genesis 31:10, Genesis 30:35
33In mijn eerlijkheid leg ik voor later deze getuigenis af: Wanneer gij mijn loon zult komen bezien, zal alles, wat niet gevlekt en gespikkeld is onder de geiten en zwart onder de schapen, als door mij gestolen gelden.
Exodus 13:14, Psalmen 37:6, 2 Samuël 22:21, Genesis 31:37, Jesaja 59:12
34Laban ging er op in: Goed, laat het zijn, zoals ge gezegd hebt.
1 Korintiërs 7:7, 1 Korintiërs 14:5, Numeri 22:29, Galaten 5:12, 1 Korintiërs 7:7
35Nog diezelfde dag zonderde Laban de gestreepte en gespikkelde bokken met alle gevlekte en gespikkelde geiten af, alles, waar maar iets wits aan was, en eveneens alle zwarte schapen, en liet ze door zijn zonen hoeden.
Genesis 31:9, Genesis 31:9
36Hij stelde een afstand van drie dagmarsen tussen hen en Jakob, die de overige kudde van Laban hoedde.
37Maar nu nam Jakob jonge takken van gomboom, amandel en plataan, en schilde ze zo, dat het spint van de stokken in witte strepen bloot kwam te liggen.
Genesis 31:9, Genesis 31:13, Ezechiël 31:8, Genesis 31:9, Genesis 31:13
38Toen legde hij de stokken, die hij aldus van hun schors had ontdaan, vlak voor de geiten in de drinkbakken en waterbekkens, waaruit het vee kwam drinken. En als het vee dan bronstig werd, wanneer het kwam drinken,
39besprong het elkaar bij de stokken, en wierp dus gestreepte, gevlekte en gespikkelde lammeren,
Genesis 31:42, Genesis 31:38, Genesis 31:40, Genesis 31:9, Genesis 31:12
40die door Jakob werden afgezonderd. Maar de schapen keerde hij met de koppen naar alle gevlekte en zwarte schapen van de kudde van Laban. Zo vormde hij een afzonderlijke kudde, die hij niet bij de kudde van Laban liet komen.
41Wanneer nu de sterke beesten bronstig waren, legde Jakob de stokken voor de kudde in de drinkbakken, zodat ze elkander bij de stokken besprongen.
42Maar bij de zwakke dieren deed hij dat niet. Op die manier kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke.
43Zo werd die man buitengewoon rijk, en kreeg hij talrijke kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.
Genesis 26:13, Genesis 26:14, Genesis 24:35, Genesis 30:30, Genesis 26:13

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 30
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward