Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 29

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 29

1Toen begaf Jakob zich weer op weg, en ging naar het land der Oosterlingen.
Richteren 6:3, Richteren 6:3, Richteren 6:33, Richteren 6:33, Hosea 12:12
2Daar zag hij in het veld een put, waarbij drie kudden schapen waren gelegerd; want uit die put werden de kudden gedrenkt. Daar de steen, die de put bedekte, groot was,
Johannes 4:6, Jesaja 49:10, Johannes 4:6, Jesaja 49:10, Hooglied 1:6
3rolde men eerst de steen van de opening van de put, als alle kudden daar waren verzameld; en als men de kudden had laten drinken, wentelde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.
4Jakob sprak hen aan: Broeders, waar komt gij vandaan? Zij antwoordden: Wij zijn van Charan.
Genesis 28:10, Genesis 28:10, Genesis 27:43, Genesis 27:43, Handelingen 7:2
5Hij vervolgde: Kent gij dan Laban, den zoon van Nachor? Zij zeiden: Ja!
Genesis 24:29, Genesis 24:24, Genesis 24:29, Genesis 24:24, Genesis 31:53
6Hij vroeg hun: Gaat het hem goed? Ze zeiden: Uitstekend; zie, daar komt juist zijn dochter Rachel aan met de kudde.
1 Samuël 25:5, Exodus 18:7, 2 Samuël 20:9, Genesis 43:27, Genesis 37:14
7Toen hernam hij: Het is nog volop dag, en nog lang geen tijd, om de kudden bijeen te drijven; geeft dus de kudden te drinken, en laat ze nog grazen.
Efeziërs 5:16, Efeziërs 5:16, Galaten 6:9, Galaten 6:10, Galaten 6:9
8Ze zeiden: Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeen zijn; dan wordt de steen van de put gewenteld, en kunnen we het vee te drinken geven.
Marcus 16:3, Lucas 24:2, Marcus 16:3, Lucas 24:2, Genesis 29:3
9Nog was hij met hen in gesprek, toen Rachel naderde met de kudde van haar vader; want zij was een herderin.
Exodus 2:21, Hooglied 1:7, Hooglied 1:8, Exodus 2:15, Exodus 2:16
10Zodra Jakob Rachel, de dochter van zijn oom Laban, met de kudde van zijn oom Laban zag, trad hij vooruit, om de steen van de putopening te wentelen en de kudde van zijn oom Laban te drenken.
Exodus 2:17, Exodus 2:17
11Daarop kuste Jakob Rachel, en weende hardop.
Genesis 33:4, Genesis 33:4, Genesis 45:2, Genesis 45:14, Genesis 45:15
12En toen Jakob Rachel had meegedeeld, dat hij de neef van haar vader was en de zoon van Rebekka, ging Rachel het vlug aan haar vader vertellen.
Genesis 24:28, Genesis 24:28, Genesis 13:8, Genesis 13:8, Genesis 14:14
13Zodra Laban het nieuws over Jakob, den zoon van zijn zuster, vernam, liep hij hem tegemoet, omhelsde en kuste hem, en leidde hem zijn huis binnen. Daar vertelde hij Laban al wat er gebeurd was.
Genesis 24:29, Genesis 24:29, Handelingen 20:37, Exodus 18:7, Exodus 4:27
14En Laban zeide hem: Waarachtig, gij zijt mijn gebeente en vlees! En hij bleef een volle maand bij hem.
2 Samuël 19:12, 2 Samuël 19:13, 2 Samuël 19:12, 2 Samuël 19:13, Richteren 9:2
15Daarna zei Laban tot Jakob: Zoudt ge, omdat ge mijn broeder zijt, mij dienen om niet? Zeg me, wat voor loon ge wilt hebben.
Genesis 31:7, Genesis 30:28, Genesis 31:7, Genesis 30:28
16Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel;
Genesis 49:31, Ruth 4:11, Genesis 49:31, Ruth 4:11, Genesis 35:23
17Lea had fletse ogen, maar Rachel was kloek van gestalte en knap van uiterlijk.
Genesis 12:11, Genesis 12:11, Genesis 35:19, Genesis 35:20, Genesis 48:7
18En daar Jakob Rachel beminde, gaf hij ten antwoord: Ik zal u zeven jaar dienen voor Rachel, uw jongste dochter.
Hosea 12:12, Hosea 12:12, Exodus 22:16, Exodus 22:17, Exodus 22:16
19En Laban antwoordde: Ik geef ze liever aan u dan aan een vreemde; blijf dus bij mij.
Jesaja 6:11, Jesaja 6:5, Jesaja 6:11, Jesaja 6:5, Psalmen 12:2
20Zo diende Jakob om Rachel zeven jaar lang; doch ze leken hem maar enkele dagen, zoveel hield hij van haar.
1 Korintiërs 13:7, 1 Korintiërs 13:7, Efeziërs 5:2, Efeziërs 5:2, Hosea 12:12
21Toen zei Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouw; want mijn tijd is om, en ik wil gemeenschap met haar houden.
Richteren 15:1, Richteren 15:1, Genesis 38:16, Genesis 29:20, Genesis 4:1
22Nu nodigde Laban alle mannen van de stad uit, en richtte een feestmaal aan.
Openbaring 19:9, Openbaring 19:9, Ruth 4:10, Ruth 4:13, Richteren 14:10
23Maar toen het avond was geworden, haalde hij zijn dochter Lea, en leidde haar tot hem; en hij hield gemeenschap met haar.
Micha 7:5, Micha 7:5, Genesis 24:65, Genesis 38:14, Genesis 38:15
24Laban gaf zijn dienstmaagd Zilpa mee als slavin voor zijn dochter Lea.
Genesis 16:1, Genesis 30:9, Genesis 30:12, Genesis 16:1, Genesis 30:9
25De volgende morgen: daar was het Lea! Nu zei hij tot Laban: Wat hebt ge me nu gedaan? Heb ik u niet om Rachel gediend? Waarom hebt ge me dan bedrogen?
Mattheüs 7:2, Mattheüs 7:2, Spreuken 11:31, Spreuken 11:31, Genesis 27:35
26Laban antwoordde: Het is hier in ons land geen gewoonte, om de jongste vóór de oudste uit te huwen.
27Breng dus eerst maar met deze de bruiloftsweek door, dan zal ik u ook de andere geven, als ge me opnieuw zeven jaren wilt dienen.
Richteren 14:12, Richteren 14:12, Leviticus 18:18, Leviticus 18:18, Genesis 2:2
28Jakob deed het, en bracht met haar de bruiloftsweek door. Toen gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.
29Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha als slavin mee.
Genesis 35:22, Genesis 30:3, Genesis 30:8, Genesis 29:24, Genesis 35:22
30Ook met Rachel had Jakob gemeenschap; en hij hield meer van haar dan van Lea. Zo diende hij hem opnieuw zeven jaren.
Genesis 31:41, Genesis 31:41, Genesis 29:18, Genesis 29:20, Mattheüs 10:37
31Toen Jahweh zag, dat Lea achteruit werd gezet, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel kinderloos bleef.
1 Samuël 2:21, Mattheüs 10:37, 1 Samuël 2:21, Mattheüs 10:37, Deuteronomium 21:15
32Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij noemde hem Ruben, want ze zeide: Jahweh heeft mijn ellende gezien; nu zal mijn man van mij houden.
Exodus 4:31, Deuteronomium 26:7, Exodus 3:7, Exodus 4:31, Deuteronomium 26:7
33Zij werd een tweede maal zwanger, en baarde een zoon. Nu sprak zij: Jahweh heeft gehoord, dat ik een verschoppeling ben, en heeft mij ook dezen gegeven. En ze noemde hem Simeon.
Genesis 34:25, Genesis 34:25, Genesis 30:20, Genesis 34:30, Genesis 49:5
34Nog eens werd ze zwanger, en baarde een zoon. En ze sprak: Nu zal mijn man zich toch wel aan mij hechten; want ik heb hem al drie zonen gebaard. Daarom noemde zij hem Levi.
Genesis 49:5, Genesis 49:7, Exodus 32:26, Exodus 32:29, Genesis 49:5
35Opnieuw werd ze zwanger en baarde een zoon. En ze sprak: Nu loof ik Jahweh! Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij een geen kinderen meer.
1 Kronieken 5:2, Genesis 49:8, Genesis 49:12, Mattheüs 1:2, 1 Kronieken 5:2

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 29
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward