1Toen riep Isaäk Jakob, zegende hem, en beval hem: Neem geen vrouw uit de kanaänietische meisjes.stylusGenesis 24:3, Genesis 24:3, Genesis 28:3, Genesis 28:4, Genesis 27:462Maar maak u gereed, om naar Paddan-Aram te gaan, naar het huis van uw grootvader Betoeël; kies u daar een vrouw uit de dochters van uw oom Laban.stylusGenesis 25:20, Genesis 25:20, Hosea 12:12, Hosea 12:12, Genesis 35:93Moge de almachtige God u zegenen, en u vruchtbaar en talrijk maken, zodat gij tot een grote menigte volken zult uitgroeien.stylusGenesis 48:3, Genesis 48:3, Genesis 35:11, Genesis 35:11, Genesis 9:14Hij moge de zegen van Abraham aan u en uw nageslacht schenken, zodat gij het land moogt bezitten, waar ge als vreemdeling woont, maar dat God aan uw vader Abraham gaf.stylusGalaten 3:14, Galaten 3:14, Genesis 12:7, Genesis 12:7, Efeziërs 1:35Zo zond Isaäk Jakob heen, en deze ging naar Paddan-Aram naar Laban, den zoon van den Arameër Betoeël, en broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.stylus6Esau had gemerkt, dat Isaäk Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gezonden, om daar een vrouw te nemen; dat hij hem ook bij zijn zegening had verboden, een vrouw uit de kanaänietische meisjes te nemen,stylusGenesis 27:33, Genesis 28:1, Genesis 27:33, Genesis 28:17en dat Jakob aan zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was gegaan.stylusSpreuken 30:17, Efeziërs 6:3, Kolossenzen 3:20, Leviticus 19:3, Exodus 20:128Esau begreep daaruit, dat de kanaänietische vrouwen aan zijn vader Isaäk mishaagden;stylusGenesis 24:3, Genesis 24:3, Genesis 26:34, Genesis 26:35, Genesis 26:349daarom begaf hij zich naar Jisjmaël, en nam Machalat, de dochter van Jisjmaël, Abrahams zoon, de zuster van Nebajot tot vrouw bij de andere vrouwen, die hij al had.stylusGenesis 36:3, Genesis 36:3, Genesis 25:13, Genesis 25:17, Genesis 36:1310Toen Jakob van Beër-Sjéba was afgereisd en naar Charan trok,stylusGenesis 11:31, Genesis 32:10, Handelingen 7:2, Genesis 11:31, Genesis 32:1011kwam hij op een plaats, waar hij wilde overnachten, omdat de zon reeds was ondergegaan. Hij legde dus een van de stenen, die daar lagen, bij wijze van kussen onder zijn hoofd, en begaf zich op die plaats ter ruste.stylusGenesis 28:18, 2 Korintiërs 1:5, Mattheüs 8:20, Genesis 28:18, 2 Korintiërs 1:512Daar had hij een droom: zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top tot de hemel reikte; en de engelen Gods klommen erop en daalden eraf.stylusJohannes 1:51, Johannes 1:51, Genesis 32:1, Genesis 32:2, Numeri 12:613En zie, Jahweh stond naast hem, en sprak: Ik ben Jahweh, de God van uw vader Abraham En de God van Isaäk! Het land, waarop ge ligt, Zal Ik u en uw nageslacht geven.stylusGenesis 13:15, Genesis 13:15, Genesis 35:12, Genesis 48:3, Genesis 35:1214Uw geslacht zal wezen Als het stof van de aarde: Gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, Naar het noorden en het zuiden; In u en uw zaad Zullen alle geslachten der aarde worden gezegend!stylusGenesis 12:3, Genesis 12:3, Genesis 26:4, Genesis 26:4, Genesis 22:1815Ik ben met u; Ik zal u behoeden, waar gij ook gaat, En u terugvoeren naar dit land. Neen, Ik zal u niet verlaten, Totdat Ik heb volbracht, wat Ik u heb beloofd!stylusJozua 1:5, Jozua 1:5, Jesaja 41:10, Jesaja 41:10, Deuteronomium 31:616Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en sprak: Waarachtig; Jahweh is hier, en ik wist het niet.stylusJozua 5:15, Jozua 5:15, Exodus 15:11, Exodus 3:5, Exodus 15:1117Hij werd met ontzetting vervuld, en sprak: Hoe ontzagwekkend is deze plaats; dit is het huis van God en de poort van de hemel.stylus1 Timotheüs 3:15, 1 Timotheüs 3:15, Genesis 35:1, Genesis 35:13, Exodus 3:618De volgende morgen nam Jakob de steen, waarop zijn hoofd had gerust, richtte die tot een gedenksteen op, en goot er olie over uit.stylusGenesis 35:14, Genesis 35:14, Genesis 31:45, Leviticus 8:10, Leviticus 8:1219Hij noemde die plaats Betel, terwijl de stad vroeger Loez had geheten.stylusHosea 12:4, Hosea 12:5, Hosea 12:4, Hosea 12:5, Genesis 35:120Daarna deed Jakob de volgende gelofte: Als God met mij is, mij behoedt op de reis, die ik onderneem, mij voedsel geeft om te eten, een kleed om mij te kleden,stylus1 Timotheüs 6:8, 1 Timotheüs 6:8, 2 Samuël 15:8, 2 Samuël 15:8, Psalmen 66:1321en mij in vrede terugbrengt naar mijn vaderlijk huis: dan zal Jahweh mij tot God zijn,stylusRichteren 11:31, Richteren 11:31, Deuteronomium 26:17, Deuteronomium 26:17, 2 Samuël 19:2422de steen, die ik als gedenkteken heb opgericht, een Godshuis worden, en zal ik U het tiende schenken van alles, wat Gij mij geeft!stylusGenesis 35:7, Genesis 35:7, Genesis 14:20, Genesis 14:20, Deuteronomium 14:22