1Intussen was Isaäk oud geworden en werden zijn ogen zo zwak, dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudsten zoon Esau, en zei hem: Mijn zoon! Deze antwoordde: Hier ben ik!stylusGenesis 48:10, Genesis 48:10, 1 Samuël 3:2, 1 Samuël 3:2, Genesis 25:232Hij sprak: Zie, ik ben oud geworden, en weet niet, wanneer ik zal sterven.stylusSpreuken 27:1, Marcus 13:35, Jakobus 4:14, Prediker 9:10, Spreuken 27:13Neem daarom uw jachttuig, pijlkoker en boog, ga het veld in, en schiet voor mij een stuk wild;stylusGenesis 25:27, Genesis 25:28, Genesis 25:27, Genesis 25:28, Genesis 10:94maak het smakelijk voor me klaar, zoals ik het graag heb, en breng het me hier, om op te eten. Dan zal ik u zegenen, vóór ik sterf.stylusHebreeën 11:20, Hebreeën 11:20, Genesis 48:9, Genesis 48:9, Genesis 49:285Maar Rebekka had afgeluisterd, wat Isaäk tot zijn zoon Esau had gezegd. En toen Esau het veld was ingegaan, om een stuk wild voor zijn vader te schieten,stylus6zei Rebekka tot haar zoon Jakob: Ik heb zo juist uw vader tegen uw broer Esau horen zeggen:stylusGenesis 25:28, Genesis 25:287"Breng mij een stuk wild, en maak er een smakelijke schotel van, waarvan ik kan eten; dan zal ik u zegenen voor het aanschijn van Jahweh, eer ik sterf".stylusJozua 6:26, Jozua 6:26, 1 Samuël 24:19, Deuteronomium 33:1, 1 Samuël 24:198Luister nu naar mij, mijn jongen, en doe wat ik u zeg.stylusEfeziërs 6:1, Efeziërs 6:1, Genesis 27:13, Genesis 27:13, Genesis 27:439Ga naar de kudde en haal mij twee malse geitebokjes; dan maak ik daarvan een smakelijke schotel voor uw vader gereed, zoals hij het gaarne heeft.stylusRichteren 13:15, Richteren 13:15, 1 Samuël 16:20, 1 Samuël 16:2010Die moet ge naar uw vader brengen, dan kan hij ervan eten. Dan zal hij u zegenen, eer hij sterft.stylus11Doch Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: Maar mijn broer Esau is ruig, en ik ben onbehaard.stylusGenesis 25:25, Genesis 25:2512Als mijn vader mij nu eens betast, zal hij denken, dat ik de spot met hem drijf; en ik zal vloek over mij brengen in plaats van zegen.stylusDeuteronomium 27:18, Deuteronomium 27:18, Genesis 25:27, 1 Tessalonicenzen 5:22, Genesis 27:3613Zijn moeder verzekerde hem: Die vloek over u neem ik op mij, mijn jongen; luister maar naar mij, en ga ze halen.stylusMattheüs 27:25, Mattheüs 27:25, 1 Samuël 25:24, 2 Samuël 14:9, 1 Samuël 25:2414Hij ging ze dus halen, en bracht ze naar zijn moeder; en zijn moeder maakte er een smakelijke schotel van, zoals zijn vader het gaarne had.stylusGenesis 27:31, Genesis 27:4, Psalmen 141:4, Genesis 27:9, Lucas 21:3415Daarna nam Rebekka de beste kleren van haar oudsten zoon Esau, die ze bij zich thuis had, en trok die haar jongsten zoon Jakob aan;stylusGenesis 27:27, Genesis 27:27, Lucas 20:46, Lucas 20:46, Lucas 15:2216de vellen van de geitebokjes trok ze over zijn handen en over het onbehaarde deel van zijn hals.stylus17Vervolgens reikte zij haar zoon Jakob de smakelijke schotel met het brood, dat zij gebakken had.stylus18Nu ging hij naar zijn vader en sprak: Vader! Deze antwoordde: Ja, mijn jongen, wie zijt ge?stylus19En Jakob zei tot zijn vader: Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan, wat ge mij gezegd hebt. Ga dus overeind zitten, en eet van het wild; dan kunt ge me zegenen.stylusMattheüs 26:70, Mattheüs 26:74, Jesaja 28:15, Zacharia 13:3, Zacharia 13:420Maar Isaäk vroeg zijn zoon: Hoe hebt ge dat zo gauw kunnen vinden, mijn jongen? Deze antwoordde: Jahweh, uw God, heeft het mij tegemoet gestuurd.stylusExodus 20:7, Genesis 24:12, Job 13:7, Exodus 20:7, Genesis 24:1221Maar nu beval Isaäk aan Jakob: Kom dichter bij, mijn jongen; dan kan ik u eens betasten, of ge werkelijk mijn zoon Esau zijt of niet.stylusJesaja 57:19, Jakobus 4:8, Jesaja 57:19, Jakobus 4:8, Genesis 27:1222Jakob trad dus op zijn vader Isaäk toe. Deze betastte hem en sprak: De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau.stylus23Hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren als de handen van Esau, zijn broer. En toen hij hem wilde zegenen,stylusHebreeën 11:20, Genesis 27:16, Hebreeën 11:20, Genesis 27:16, Romeinen 9:1124sprak hij nog: Ge zijt toch wezenlijk mijn zoon Esau? Hij antwoordde: Ja, dat ben ik.stylusKolossenzen 3:9, Kolossenzen 3:9, Efeziërs 4:25, Spreuken 12:22, Efeziërs 4:2525Toen zei hij: Dien het mij op, en laat mij eten van het wild van mijn zoon; dan zal ik u zegenen. Hij zette het hem voor, en hij at; daarna bracht hij hem wijn, die hij dronk.stylusGenesis 27:4, Genesis 27:426Nu sprak zijn vader Isaäk tot hem: Kom hier, mijn zoon, en kus mij.stylus27Hij trad nader, en kuste hem. En toen hij de geur van zijn kleren rook, zegende hij hem, en sprak: Zie, de geur van mijn zoon Is als de geur van een akker, Door Jahweh gezegend.stylusHebreeën 6:7, Hebreeën 6:7, Psalmen 65:10, Psalmen 65:10, Genesis 26:1228God schenke u dauw van de hemel, En het vette der aarde, Met overvloed van koren en most.stylusDeuteronomium 33:28, Deuteronomium 33:28, Deuteronomium 33:13, Deuteronomium 33:13, Psalmen 133:329Volken zullen u dienen, En naties zich voor u buigen. Wees een vorst over uw broeders, De zonen uwer moeder werpen zich voor u neer. Vervloekt, die u vloekt, Maar gezegend, die u zegent!stylusGenesis 12:3, Numeri 24:9, Genesis 12:3, Numeri 24:9, Jesaja 49:2330Nauwelijks had Isaäk Jakob gezegend, en was Jakob van zijn vader Isaäk heengegaan, of zijn broer Esau kwam terug van de jacht.stylus31Ook hij maakte een smakelijke schotel gereed, bracht die naar zijn vader, en sprak tot zijn vader: Kom overeind zitten, vader, en eet van het wild van uw zoon; dan kunt ge me zegenen.stylusGenesis 27:4, Genesis 27:432Zijn vader Isaäk sprak tot hem: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben uw zoon Esau, uw eerstgeborene.stylusGenesis 27:18, Genesis 27:1833Hevig ontsteld vroeg Isaäk: Maar wie was het dan, die het wild heeft geschoten en het mij heeft gebracht, zodat ik voor uw komst reeds volop heb gegeten? Dien heb ik gezegend, en hij blijft gezegend!stylusGenesis 28:3, Genesis 28:4, Genesis 28:3, Genesis 28:4, Romeinen 11:2934Toen Esau dit van zijn vader vernam, brak hij in luide en bittere jammerklachten los, en zei tot zijn vader: Vader, zegen ook mij!stylusHebreeën 12:17, Hebreeën 12:17, Spreuken 1:31, Spreuken 1:31, 1 Samuël 30:435Deze antwoordde: Uw broer heeft u listig de zegen ontnomen.stylus1 Tessalonicenzen 4:6, 1 Tessalonicenzen 4:6, 2 Koningen 10:19, Romeinen 3:7, Romeinen 3:836En hij zeide: Terecht wordt hij Jakob genoemd; want hij heeft mij reeds tweemaal bedrogen. Hij heeft mij mijn eerstgeboorterecht ontroofd, en zie, nu steelt hij mijn zegen. En hij ging voort: Hebt ge voor mij geen zegen meer?stylusGenesis 25:26, Genesis 25:26, Johannes 1:47, Genesis 32:28, Genesis 25:3137Isaäk gaf Esau ten antwoord: Zie, ik heb hem over u tot vorst gesteld, hem al zijn broeders tot dienaars gegeven, en koren en most hem geschonken. Mijn jongen, wat kan ik dan voor ú nog doen?stylusRomeinen 9:10, Romeinen 9:12, Genesis 27:28, Genesis 27:29, 2 Samuël 8:1438Maar Esau zei tot zijn vader: Was dat dan uw enige zegen, vader? Ach, vader, zegen ook mij! En Esau snikte het uit.stylusHebreeën 12:17, Hebreeën 12:17, Genesis 27:34, Genesis 27:34, Spreuken 1:2439Toen sprak zijn vader Isaäk tot hem: Zie, ver van het vette der aarde zult ge wonen, Ver van de hemeldauw uit den hogen,stylusGenesis 27:28, Genesis 27:28, Hebreeën 11:20, Hebreeën 11:20, Genesis 36:640Van uw zwaard zult ge leven! Uw broeder zult ge dienstbaar zijn; Maar als ge tot macht komt, Schudt ge zijn juk van uw nek!stylus2 Koningen 8:20, 2 Koningen 8:22, 2 Koningen 8:20, 2 Koningen 8:22, Genesis 25:2341Esau haatte Jakob om de zegen, die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau dacht bij zichzelf: De tijd komt spoedig, dat men rouwt over mijn vader; dan zal ik mijn broer Jakob vermoorden.stylusGenesis 37:4, 1 Johannes 3:12, 1 Johannes 3:15, Genesis 37:4, 1 Johannes 3:1242Toen men aan Rebekka dit plan van haar oudsten zoon Esau overbracht, liet zij haar jongsten zoon Jakob roepen, en zei tot hem: Hoor eens, uw broer Esau wil wraak op u nemen en u vermoorden.stylusGenesis 42:21, Genesis 42:22, Spreuken 4:16, Spreuken 4:17, Genesis 37:1843Luister nu naar mij, mijn jongen. Maak u gereed, om naar mijn broer Laban in Charan te vluchten,stylusGenesis 27:8, Genesis 11:31, Genesis 27:8, Genesis 11:31, Genesis 27:1344en blijf enige tijd bij hem, totdat de woede van uw broer is bekoeld.stylusGenesis 31:38, Genesis 31:38, Genesis 31:41, Genesis 31:4145Wanneer de toorn van uw broer over u is bedaard, en hij vergeten is, wat ge hem hebt gedaan, zal ik bericht zenden en u terug laten halen. Waarom zou ik u beiden op één dag verliezen!stylusJakobus 4:13, Jakobus 4:15, Spreuken 19:21, 2 Samuël 14:6, 2 Samuël 14:746Toen zei Rebekka tot Isaäk: Het leven walgt me al om de dochters van Chet. Als nu ook Jakob een vrouw neemt uit de meisjes van het land, wat heb ik dan aan mijn leven?stylusGenesis 26:34, Genesis 26:35, Genesis 24:3, Genesis 26:34, Genesis 26:35