1Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahweh had Abraham in alles gezegend.stylusPsalmen 112:1, Psalmen 112:3, Psalmen 112:1, Psalmen 112:3, Galaten 3:92Daarom sprak Abraham tot den oudsten dienaar van zijn huis, die het opzicht had over heel zijn bezit: Leg uw hand onder mijn heup;stylusGenesis 47:29, Genesis 47:29, Genesis 39:4, Genesis 39:6, Genesis 39:43want ik wil u doen zweren bij Jahweh, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon;stylus2 Korintiërs 6:14, 2 Korintiërs 6:17, Genesis 26:34, Genesis 26:35, 2 Korintiërs 6:144maar dat gij naar mijn land en mijn familie zult gaan, om dáár een vrouw voor mijn zoon Isaäk te zoeken.stylusGenesis 28:2, Genesis 28:2, Genesis 11:25, Genesis 12:1, Genesis 12:75De dienaar antwoordde: Maar als nu de vrouw mij niet wil volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, waaruit gij zijt weggetrokken?stylusJeremia 4:2, Jeremia 4:2, Spreuken 13:16, Genesis 24:58, Exodus 9:26Maar Abraham zeide hem: Pas op, dat ge mijn zoon daar niet terugbrengt.stylusHebreeën 10:39, Galaten 5:1, 2 Petrus 2:20, 2 Petrus 2:22, Hebreeën 10:397Jahweh, de God des hemels, die mij uit mijn vaderlijk huis en uit mijn geboorteland heeft geleid, en die mij gezegd en bezworen heeft: "Aan uw nageslacht geef Ik dit land": Hij zal zijn engel voor u uit zenden, en u daar voor mijn zoon een vrouw laten vinden.stylusPsalmen 34:7, Hebreeën 1:14, Exodus 33:2, Psalmen 34:7, Hebreeën 1:148Mocht die vrouw u niet willen volgen, dan verplicht mijn eed u niet langer; maar in geen geval moogt ge mijn zoon daar terugbrengen.stylusJozua 2:17, Jozua 2:20, Jozua 2:17, Jozua 2:20, Numeri 30:59Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn meester, en zwoer hem de gevraagde eed.stylusGenesis 24:2, Genesis 24:210Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-Naharáim, naar de stad van Nachor.stylusGenesis 11:31, Deuteronomium 23:4, Genesis 11:31, Deuteronomium 23:4, 1 Kronieken 19:611Buiten de stad bij de waterput liet hij de kamelen neerknielen; het was tegen de avond, dus tegen de tijd, dat de vrouwen naar buiten gaan, om water te putten.stylus1 Samuël 9:11, 1 Samuël 9:11, Johannes 4:7, Exodus 2:16, Johannes 4:712Toen sprak hij: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ik bid U, laat mij nu slagen, en wees Abraham, mijn meester, genadig.stylusGenesis 24:27, Genesis 24:27, 2 Koningen 2:14, Genesis 26:24, Exodus 3:613Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de burgers der stad komen naar buiten, om water te putten.stylusGenesis 24:43, Genesis 24:43, Psalmen 37:5, Psalmen 37:5, Genesis 29:914Wanneer het meisje, tot wie ik zeg: "reik mij uw kruik, om te drinken", ten antwoord geeft: "drink, en ook uw kamelen zal ik water geven"; dan zal dàt het meisje zijn, dat Gij voor uw dienaar Isaäk hebt bestemd; en daaraan zal ik erkennen, dat Gij mijn heer genadig zijt.stylusRichteren 6:37, Richteren 6:37, Richteren 6:17, Richteren 6:17, Genesis 15:815Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.stylusGenesis 11:29, Genesis 11:29, Genesis 24:45, Jesaja 65:24, Genesis 24:4516Het was een bijzonder mooi meisje; een maagd, die nog met geen man omgang had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam weer naar boven.stylusGenesis 26:7, Genesis 26:7, Numeri 31:17, Numeri 31:18, Genesis 39:617De dienaar liep op haar toe, en sprak: Laat mij een beetje water drinken uit uw kruik.stylusJohannes 4:7, Johannes 4:7, Genesis 26:1, Genesis 26:35, Jesaja 21:1418Zij antwoordde: Drink, heer. En terstond liet zij de kruik op haar hand zakken, en gaf hem te drinken.stylusSpreuken 31:26, Genesis 24:14, 1 Petrus 4:8, 1 Petrus 4:9, 1 Petrus 3:819En toen zij hem had laten drinken, zeide zij nog: Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg hebben.stylusGenesis 24:14, Genesis 24:14, Genesis 24:45, Genesis 24:46, 1 Petrus 4:920Vlug goot ze haar kruik in de drinkbak leeg, repte zich weer naar de put, om opnieuw te gaan scheppen, en water te putten voor al zijn kamelen.stylus21Zwijgend nam de man haar nauwkeuriger op, om te weten, of Jahweh zijn reis had doen slagen, of niet.stylusGenesis 24:12, Psalmen 107:43, Genesis 24:12, Psalmen 107:43, Lucas 2:5122En nadat de kamelen volop hadden gedronken, nam de man een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel, stak die in haar neus, deed om haar polsen twee armbanden ter waarde van tien gouden sikkels,stylusEzechiël 16:11, Ezechiël 16:12, Ezechiël 16:11, Ezechiël 16:12, Exodus 32:223en vroeg: Wiens dochter zijt gij; vertel me dat eens? Is er in het huis van uw vader plaats voor ons, om te overnachten?stylus24Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.stylusGenesis 24:15, Genesis 24:15, Genesis 22:23, Genesis 22:23, Genesis 22:2025En zij ging voort: We hebben stro en voedsel in overvloed, ook plaats om te overnachten.stylus1 Petrus 4:9, Jesaja 32:8, 1 Petrus 4:9, Jesaja 32:8, Richteren 19:1926Toen viel de man op zijn knieën, aanbad Jahweh,stylusGenesis 24:48, Genesis 24:48, Genesis 24:52, Exodus 4:31, Genesis 24:5227en sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Abraham, mijn meester, die zijn genade en trouw aan mijn heer niet onthoudt; want Jahweh heeft mij geleid naar het huis van den broer van mijn heer.stylusGenesis 24:48, Genesis 24:48, Genesis 24:12, Genesis 32:10, Psalmen 98:328Het meisje was al naar huis gelopen, en vertelde thuis aan haar moeder, wat er gebeurd was.stylusGenesis 24:48, Genesis 24:55, Genesis 31:33, Genesis 24:67, Genesis 24:4829Nu had Rebekka een broer, die Laban heette. Laban liep naar den man, die buiten bij de bron stond;stylusGenesis 29:5, Genesis 29:5, Genesis 24:55, Genesis 29:13, Genesis 24:5530want hij had de neusring gezien met de armbanden om de polsen van zijn zuster, en zijn zuster Rebekka horen vertellen: zo en zo heeft de man met mij gesproken. Hij trad op hem toe, terwijl hij nog met de kamelen bij de bron stond te wachten,stylus31en sprak: Kom, gezegende van Jahweh; waarom blijft ge nog buiten staan, terwijl ik het huis en een plaats voor de kamelen al gereed heb?stylusRuth 3:10, Genesis 26:29, Ruth 3:10, Genesis 26:29, Psalmen 115:1532Hij leidde den man naar huis, zadelde de kamelen af, en gaf ze stro en voer; dan bracht hij voor hem en zijn mannen water, om zich de voeten te wassen.stylusGenesis 43:24, Richteren 19:21, Genesis 43:24, Richteren 19:21, Genesis 18:433Maar toen hem spijzen werden voorgezet, zeide hij: Ik eet niet, eer ik gezegd heb, wat ik moet zeggen. Hij zeide: Spreek op.stylusPsalmen 132:3, Psalmen 132:5, Psalmen 132:3, Psalmen 132:5, Efeziërs 6:534En hij sprak: Ik ben de dienaar van Abraham.stylus35Jahweh heeft mijn heer overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.stylusGenesis 13:2, Genesis 24:1, Genesis 13:2, Genesis 24:1, Psalmen 107:3836En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft mijn heer een zoon gebaard, toen ze reeds oud was; en aan hem heeft hij heel zijn bezit vermaakt.stylusGenesis 25:5, Genesis 25:5, Genesis 21:10, Genesis 21:10, Genesis 21:137Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren: Gij moogt voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon;stylusEzra 9:1, Ezra 9:3, Genesis 24:2, Genesis 24:9, Genesis 27:4638maar ge moet naar het huis van mijn vader gaan en naar mijn stam, om daar een vrouw voor mijn zoon te halen.stylusGenesis 24:4, Genesis 24:4, Genesis 31:19, Genesis 12:1, Genesis 31:1939Ik zeide tot mijn heer: Maar als die vrouw mij niet wil volgen?stylusGenesis 24:5, Genesis 24:540Hij antwoordde mij: Jahweh voor wiens aanschijn ik heb geleefd, Hij zal zijn engel met u zenden, en uw reis doen gelukken; gij zult een vrouw voor mijn zoon krijgen uit mijn stam en uit het huis van mijn vader.stylusExodus 23:20, Exodus 23:20, Psalmen 16:8, Psalmen 16:8, Genesis 5:2441Eerst dan zijt gij van de eed, die ik u opleg, ontslagen, als ge bij mijn stam zijt gekomen, en men er u geen geven wil; dan verplicht mijn eed u niet meer.stylusGenesis 24:8, Genesis 24:8, Deuteronomium 29:12, Deuteronomium 29:1242Toen ik dan vandaag bij de bron was gekomen, zeide ik: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ach, laat toch de reis gelukken, die ik heb ondernomen.stylusNehemia 1:11, Nehemia 1:11, Romeinen 1:10, Genesis 24:12, Genesis 24:1443Zie, ik sta nu bij de waterbron. Wanneer de maagd, die naar buiten komt, om water te putten, en tot wie ik zeg: "geef mij een beetje water te drinken uit uw kruik",stylusGenesis 24:13, Genesis 24:14, Genesis 24:13, Genesis 24:1444mij ten antwoord geeft: "drink, en ook voor uw kamelen zal ik putten", dan zal zij de vrouw zijn, die Jahweh voor den zoon van mijn heer heeft bestemd.stylusGenesis 24:14, Genesis 24:14, Jesaja 32:8, Spreuken 19:14, 1 Petrus 3:845Nog had ik bij mezelf niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka naar buiten met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron, om te putten. En toen ik haar zeide: "laat mij wat drinken",stylusDaniël 9:23, Handelingen 10:30, Handelingen 12:12, Handelingen 12:17, Jesaja 65:2446liet ze dadelijk haar kruik zakken, en sprak: "drink, en ook uw kamelen zal ik water geven". Ik dronk, en ze liet ook de kamelen drinken.stylusGenesis 24:18, Genesis 24:19, Genesis 24:18, Genesis 24:1947Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van Betoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.stylusJesaja 62:3, Jesaja 62:5, Psalmen 45:13, Psalmen 45:14, Genesis 24:2248Ik viel op mijn knieën om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.stylusGenesis 24:26, Genesis 24:27, Genesis 24:26, Genesis 24:27, Psalmen 48:1449Welnu dan, als gij mijn heer liefde en trouw wilt bewijzen, zegt het mij dan; maar zo niet, laat het mij eveneens weten, dan kan ik naar rechts of naar links gaan.stylusGenesis 47:29, Genesis 47:29, Jozua 2:14, Jozua 2:14, Genesis 32:1050Laban en Betoeël gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.stylusPsalmen 118:23, Psalmen 118:23, Genesis 31:24, Genesis 31:24, Genesis 31:2951Zie Rebekka staat te uwer beschikking; neem haar met u mee, opdat zij de vrouw wordt van den zoon van uw heer, zoals Jahweh gezegd heeft.stylus2 Samuël 16:10, Genesis 24:15, 2 Samuël 16:10, Genesis 24:15, Genesis 20:1552Toen de dienaar van Abraham had gehoord wat ze zeiden, wierp hij zich ter aarde voor Jahweh neer.stylusGenesis 24:26, Genesis 24:48, Genesis 24:26, Genesis 24:48, Psalmen 116:153Hij haalde zilveren en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en schonk ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.stylusGenesis 24:10, Genesis 24:22, Genesis 24:10, Genesis 24:22, Exodus 3:2254Toen eerst aten en dronken hij en zijn mannen, en bleven ze overnachten. Zodra men de volgende morgen was opgestaan, sprak hij: Laat mij nu terug gaan naar mijn heer.stylusGenesis 24:56, Genesis 24:56, Genesis 24:59, Genesis 24:59, Genesis 45:2455Maar haar broer en haar moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven; dan kan ze vertrekken.stylusRichteren 14:8, Leviticus 25:29, Genesis 4:3, Richteren 14:8, Leviticus 25:2956Maar hij antwoordde hun: Houdt me niet tegen, nu Jahweh mijn reis heeft doen slagen; staat mij dus toe, naar mijn heer te vertrekken.stylusJozua 1:8, Spreuken 25:25, Jesaja 48:15, Jozua 1:8, Spreuken 25:2557Ze zeiden: We zullen het meisje roepen, en het haar zelf vragen.stylus58Zij riepen Rebekka, en vroegen haar: Wilt ge met dien man meegaan? Zij antwoordde: Ja!stylusPsalmen 45:10, Psalmen 45:11, Psalmen 45:10, Psalmen 45:11, Lucas 1:3859Nu lieten ze hun zuster Rebekka vertrekken, vergezeld van haar min en den dienaar van Abraham met zijn volk.stylusGenesis 35:8, Genesis 35:8, 1 Tessalonicenzen 2:5, Numeri 11:12, Genesis 24:6060Zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: Zuster, moogt ge tot duizend maal tienduizenden groeien, En moge uw kroost de poorten bezitten van die het haten.stylusGenesis 22:17, Genesis 22:17, Genesis 17:16, Genesis 17:16, Ruth 4:1161Toen maakten Rebekka en haar dienstmaagd zich klaar, stegen op de kamelen, en sloten zich aan bij den man; de dienaar nam Rebekka mee, en vertrok.stylusGenesis 2:24, Psalmen 45:10, Genesis 2:24, Psalmen 45:10, Esther 8:1062Intussen was Isaäk naar de woestijn bij de bron van Lachai-Roï getrokken, en woonde hij in het land van de Négeb.stylusGenesis 16:14, Genesis 25:11, Genesis 16:14, Genesis 25:11, Genesis 20:163Eens was Isaäk bij het vallen van de avond het veld ingegaan, om zich wat te verzetten; toevallig sloeg hij zijn ogen op, en zie: daar kwamen kamelen aan.stylusPsalmen 119:15, Psalmen 119:15, Jozua 1:8, Psalmen 104:34, Psalmen 1:264Ook Rebekka sloeg haar ogen op; en toen zij Isaäk zag, liet zij zich van haar kameel afglijden,stylusJozua 15:18, Richteren 1:14, Jozua 15:18, Richteren 1:1465en sprak tot den dienaar: Wie is die man daar, die ons in het veld tegemoet komt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen nam ze haar sluier, en bedekte zich.stylus1 Timotheüs 2:9, 1 Timotheüs 2:9, 1 Korintiërs 11:5, 1 Korintiërs 11:6, 1 Korintiërs 11:566En nadat de dienaar alles, wat hij gedaan had, aan Isaäk had verteld,stylusMarcus 6:30, Marcus 6:3067leidde Isaäk Rebekka naar de tent van Sara zijn moeder, en nam haar tot vrouw. Isaäk kreeg haar lief, en troostte zich over de dood van zijn moeder.stylusGenesis 38:12, Genesis 23:1, Genesis 23:2, Genesis 37:35, Genesis 38:12