1Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. Hij sprak tot hem: Abraham! Deze antwoordde: Hier ben ik.stylusHebreeën 11:17, Hebreeën 11:17, Deuteronomium 8:2, Deuteronomium 8:2, 1 Petrus 1:72Hij sprak: Neem Isaäk, uw enigen zoon, dien ge liefhebt, ga naar het land van de Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen, die Ik u aanwijs.stylusJohannes 3:16, Johannes 3:16, Romeinen 8:32, Romeinen 8:32, Hebreeën 11:173De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, ontbood twee van zijn knechten en zijn zoon Isaäk, en kloofde brandhout voor het offer. Toen trok hij op, en ging naar de plaats, die God hem genoemd had.stylusPsalmen 119:60, Psalmen 119:60, Mattheüs 10:37, Mattheüs 10:37, Lucas 14:264De derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en zag de plaats in de verte.stylusMattheüs 17:23, Lucas 13:32, Hosea 6:2, 1 Korintiërs 15:4, Mattheüs 17:235Nu sprak Abraham tot zijn knechten: Blijft hier met den ezel; ik en de jongen gaan daarheen, om te aanbidden; daarna keren we tot u terug.stylusHebreeën 11:19, Hebreeën 11:19, Hebreeën 12:1, Hebreeën 12:16Daarop nam Abraham het hout voor het offer, en gaf het zijn zoon Isaäk te dragen; zelf droeg hij het vuur en het mes. Zo gingen ze samen op weg.stylusJohannes 19:17, Johannes 19:17, 1 Petrus 2:24, 1 Petrus 2:24, Jesaja 53:67Maar Isaäk zei tot zijn vader Abraham: Vader! Hij antwoordde: Wat is er, mijn jongen? Hij zeide: Zie, we hebben wel vuur en offerhout, maar waar is het schaap voor het offer?stylusRomeinen 8:15, Romeinen 8:15, Exodus 12:3, Mattheüs 26:42, Mattheüs 26:398Abraham antwoordde: God zelf zal wel voor het offerschaap zorgen, mijn kind. En samen gingen ze verder.stylusJohannes 1:36, Johannes 1:36, Johannes 1:29, Johannes 1:29, Openbaring 5:129Toen zij aan de plaats waren gekomen, die God hem genoemd had, bouwde Abraham daar een altaar, en stapelde het hout op. Dan bond hij zijn zoon Isaäk, en legde hem op het altaar boven op het hout.stylusJakobus 2:21, Jakobus 2:21, Hebreeën 11:17, Hebreeën 11:19, Hebreeën 11:1710En Abraham strekte zijn hand uit, om het mes te grijpen, en zijn zoon te doden.stylusHebreeën 11:17, Hebreeën 11:19, Jakobus 2:21, Jakobus 2:23, Hebreeën 11:1711Daar riep de engel van Jahweh uit de hemel hem toe, en sprak: Abraham, Abraham! Hij zeide: Hier ben ik.stylusGenesis 16:9, Genesis 16:10, Exodus 3:4, Genesis 21:17, Genesis 16:912Hij sprak: Sla uw hand niet aan den knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij God vreest; want ge hebt Mij uw enigen zoon niet willen onthouden.stylusJakobus 2:21, Jakobus 2:22, Jakobus 2:21, Jakobus 2:22, Jakobus 2:1813Nu sloeg Abraham zijn ogen op, en zag een ram, die met zijn horens in het struikgewas zat verward; Abraham greep den ram, en droeg hem als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.stylus1 Korintiërs 10:13, 1 Korintiërs 10:13, 2 Korintiërs 1:9, 2 Korintiërs 1:10, 2 Korintiërs 1:914Abraham gaf die plaats de naam: "Jahweh draagt zorg", daarom wordt ook nu nog gezegd: "op de berg van Jahweh wordt zorg gedragen".stylusGenesis 22:13, Genesis 22:13, Exodus 17:15, Exodus 17:15, Genesis 22:815Voor de tweede maal riep de engel van Jahweh Abraham uit de hemel toe,stylus16en sprak: Ik zweer bij Mijzelf, Luidt de godsspraak van Jahweh! Omdat ge dit hebt gedaan, En uw enigen zoon niet gespaard hebt:stylusLucas 1:73, Lucas 1:73, Psalmen 105:9, Hebreeën 6:13, Hebreeën 6:1417Daarom zal Ik u zegenen, En uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, En als het zand aan het strand van de zee; Uw kroost zal de poorten van zijn vijanden bezitten.stylusGenesis 15:5, Genesis 15:5, Genesis 13:16, Jeremia 33:22, Genesis 13:1618In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend, Omdat gij naar mijn stem hebt gehoord.stylusHandelingen 3:25, Handelingen 3:25, Genesis 12:3, Genesis 12:3, Genesis 26:419Toen keerde Abraham terug naar zijn knechten; zij trokken op, en gingen naar Beër-Sjéba terug. Abraham bleef te Beër-Sjéba wonen.stylusGenesis 21:31, Genesis 21:31, Jozua 15:28, Richteren 20:1, Jozua 15:2820Enige tijd later berichtte men Abraham: Ook Milka heeft uw broer Nachor zonen geschonken.stylusGenesis 11:29, Genesis 11:29, Genesis 24:24, Genesis 24:24, Genesis 24:1021Het waren Oes zijn eerstgeborene, en Boez zijn broer; verder Kemoeël, de vader van Aram,stylusJob 1:1, Job 1:1, Numeri 23:7, Psalmen 60:1, Psalmen 60:1222en Késed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betoeël.stylus23Deze Betoeël verwekte Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nachor, den broer van Abraham.stylusGenesis 24:15, Genesis 24:15, Genesis 28:2, Genesis 24:67, Romeinen 9:1024En zijn bijvrouw, die Reoema heette, baarde Tébach en Gácham, Táchasj en Maäka.stylusSpreuken 15:25, Genesis 25:6, Genesis 16:3, Spreuken 15:25, Genesis 25:6