Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 21

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 21

1En Jahweh trok Zich Sara aan, zoals Hij gezegd had; Jahweh deed Sara zijn belofte gestand.
Psalmen 12:6, Genesis 18:10, Psalmen 12:6, Genesis 18:10, Genesis 17:19
2Zij werd zwanger, en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, juist op de tijd, die God had voorzegd.
Hebreeën 11:11, Galaten 4:22, Hebreeën 11:11, Galaten 4:22, Lucas 1:36
3Abraham noemde den zoon, die hem was geboren, en dien Sara hem geschonken had, Isaäk.
Genesis 17:19, Genesis 17:19, Romeinen 9:7, Genesis 21:6, Romeinen 9:7
4En Abraham besneed zijn zoon Isaäk, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem bevolen had.
Handelingen 7:8, Handelingen 7:8, Genesis 17:10, Genesis 17:12, Lucas 2:21
5Abraham was bij de geboorte van zijn zoon Isaäk honderd jaar oud.
Genesis 17:17, Genesis 17:17, Romeinen 4:19, Genesis 17:1, Romeinen 4:19
6Sara zeide: God heeft mij reden tot lachen gegeven; en ook iedereen, die het hoort, zal lachen.
Jesaja 54:1, Psalmen 126:2, Jesaja 54:1, Psalmen 126:2, Genesis 17:17
7En zij zeide: Wie had tot Abraham durven zeggen: Sara zal nog kinderen voeden? Toch heb ik een zoon gebaard op zijn oude dag.
Jesaja 66:8, Genesis 18:11, Genesis 18:12, Jesaja 66:8, Genesis 18:11
8Het kind groeide op, en werd aan de borst ontwend; en toen Isaäk van de borst werd afgenomen, richtte Abraham een groot feestmaal aan.
1 Samuël 1:22, 1 Samuël 1:22, Hosea 1:8, Hosea 1:8, Genesis 19:3
9Maar toen Sara den zoon, dien Hagar de Egyptische aan Abraham geschonken had, haar eigen zoon Isaäk zag uitlachen,
Genesis 16:15, Genesis 16:15, Galaten 4:29, Galaten 4:29, Genesis 16:1
10sprak ze tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg; want de zoon van die slavin mag geen erfgenaam worden met mijn zoon Isaäk.
Johannes 8:35, Johannes 8:35, 1 Petrus 1:4, 1 Johannes 2:19, Galaten 4:22
11Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
Genesis 17:18, Hebreeën 12:11, Genesis 17:18, Hebreeën 12:11, 2 Samuël 18:33
12Maar God sprak: Wees niet verdrietig om den knaap en om uw slavin. Willig alles in, wat Sara u zegt; want alleen wat van Isaäk afstamt, zal uw nakomelingschap worden genoemd.
Hebreeën 11:18, Hebreeën 11:18, Romeinen 9:7, Romeinen 9:8, Romeinen 9:7
13Toch zal Ik ook van den zoon der slavin een volk maken, omdat hij uw kind is.
Genesis 21:18, Genesis 21:18, Genesis 16:10, Genesis 17:20, Genesis 16:10
14Daarom nam Abraham de volgende morgen brood en een zak water, gaf ze aan Hagar, zette het kind op haar schouder, en zond haar weg. Zij ging heen, maar verdwaalde in de woestijn van Beër-Sjéba.
Spreuken 27:14, Genesis 26:31, Psalmen 107:4, Genesis 21:31, Genesis 16:7
15Toen het water uit de zak op was, legde zij den jongen onder een der struiken neer.
Jeremia 14:3, Exodus 15:22, Exodus 15:25, Psalmen 63:1, 2 Koningen 3:9
16Zelf ging zij op een boogschot afstand daar tegenover zitten; want ze zei: Ik kan het kind niet zien sterven. En terwijl ze zo tegenover hem zat, begon ze hardop te snikken.
Esther 8:6, Jesaja 49:15, 1 Koningen 3:26, Esther 8:6, Jesaja 49:15
17God hoorde ook den knaap schreien; en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar, en zeide tot haar: Wat is er toch Hagar? Wees maar niet bang; want God heeft het schreien van den jongen gehoord; dat betekent immers zijn naam.
Genesis 16:11, Genesis 16:11, Psalmen 50:15, Psalmen 50:15, Exodus 3:7
18Sta op, neem den knaap op, en houd hem goed vast; want Ik zal een groot volk van hem maken.
Genesis 21:13, Genesis 21:13, Genesis 16:10, Genesis 16:10, 1 Kronieken 1:29
19Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij ging de zak met water vullen, en gaf den jongen te drinken.
Numeri 22:31, Numeri 22:31, 2 Koningen 6:17, 2 Koningen 6:20, 2 Koningen 6:17
20En God was met den knaap. Toen hij groot was geworden, vestigde hij zich in de woestijn, en werd een boogschutter.
Genesis 28:15, Genesis 28:15, Genesis 39:21, Genesis 39:21, Genesis 16:12
21Hij woonde in de woestijn van Paran, en zijn moeder nam hem een vrouw uit het land van Egypte.
Richteren 14:2, Genesis 24:3, Genesis 24:4, Numeri 13:26, Genesis 26:34
22Het was ongeveer in dezelfde tijd, dat Abimélek en zijn legerhoofd Pikol tot Abraham zeiden: God is met u bij al wat ge doet.
Genesis 26:26, Genesis 26:26, Genesis 26:28, Jozua 3:7, Genesis 20:2
23Zweer mij hier dus bij God, dat ge mij, noch mijn geslacht en mijn stam, ontrouw zult worden; maar dat ge mij en het land, waarin ge als gast verblijft, dezelfde vriendschap zult bewijzen, als ik u heb getoond.
Jozua 2:12, Jozua 2:12, Genesis 20:14, Genesis 20:14, 1 Samuël 30:15
24En Abraham zeide: Ik zweer het.
Genesis 14:13, Romeinen 12:18, Hebreeën 6:16, Genesis 14:13, Romeinen 12:18
25Maar tegelijk deed Abraham bij Abimélek zijn beklag, dat de knechten van Abimélek zich met geweld van zijn waterput hadden meester gemaakt.
Genesis 26:15, Genesis 26:22, Genesis 26:15, Genesis 26:22, Mattheüs 18:15
26Abimélek zeide: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ge hebt er mij ook nooit van gesproken, en ik heb er tot nu toe niets van gehoord.
Genesis 13:7, 2 Koningen 5:20, 2 Koningen 5:24, Genesis 13:7, 2 Koningen 5:20
27Daarop haalde Abraham schapen en runderen, gaf ze aan Abimélek ten geschenke, en zij sloten een verbond met elkander.
1 Samuël 18:3, Spreuken 21:14, Jesaja 32:8, Genesis 14:22, Genesis 14:23
28Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
29zei Abimélek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammetjes, die ge afgezonderd houdt?
Exodus 12:26, Genesis 33:8, 1 Samuël 15:14, Exodus 12:26, Genesis 33:8
30Hij antwoordde: Zeven lammetjes moet ge van mij aannemen; dit zal mij tot getuigenis dienen, dat ik die put heb gegraven.
Genesis 31:52, Genesis 31:52, Jozua 24:27, Genesis 31:44, Genesis 31:48
31Daarom wordt die plaats Beër-Sjéba genoemd, omdat zij daar beiden een eed hebben gezworen.
Genesis 26:33, Genesis 26:33, Genesis 21:14, Genesis 21:14, 2 Samuël 17:11
32En nadat zij dus een verbond te Beër-Sjéba hadden gesloten, brak Abimélek met zijn legeroverste Pikol op, en keerde naar het land der Filistijnen terug.
Exodus 13:17, Richteren 13:1, Genesis 31:53, 1 Samuël 18:3, Genesis 10:14
33Abraham plantte een tamarisk te Beër-Sjéba, en riep daar de naam van Jahweh aan, den eeuwigen God.
1 Timotheüs 1:17, 1 Timotheüs 1:17, Jesaja 40:28, Jesaja 40:28, Psalmen 90:2
34Nog lang bleef hij in het land der Filistijnen wonen.
Genesis 20:1, 1 Petrus 2:11, Psalmen 39:12, Hebreeën 11:13, Hebreeën 11:9

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 21
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward