1Abraham trok vandaar de Négeb in, en vestigde zich tussen Kadesj en Sjoer. Zolang Abraham in Gerar verbleef,stylusGenesis 26:1, Genesis 26:6, Genesis 26:1, Genesis 26:6, 2 Kronieken 14:132vertelde hij van zijn vrouw Sara, dat ze zijn zuster was; zo liet Abimélek, de koning van Gerar, Sara schaken.stylusGenesis 12:15, Genesis 12:15, Genesis 26:7, Genesis 26:7, Genesis 12:113Maar God verscheen Abimélek des nachts in een droom, en sprak tot hem: Zie, ge zult sterven, omdat ge die vrouw hebt geschaakt; want ze is al gehuwd.stylusMattheüs 27:19, Genesis 20:7, Mattheüs 27:19, Genesis 20:7, Job 33:154Abimélek, die haar nog niet was genaderd, sprak: Heer, zoudt Gij dan een rechtschapen man willen doden?stylusGenesis 18:23, Genesis 18:25, 1 Kronieken 21:17, Genesis 18:23, Genesis 18:255Heeft hij mij niet gezegd: Het is mijn zuster; en heeft ook zij zelf niet gezegd: Het is mijn broer? Met onschuldig hart en reine handen heb ik dit gedaan.stylusPsalmen 7:8, 1 Koningen 9:4, Psalmen 7:8, 1 Koningen 9:4, Jozua 22:226En God sprak tot hem in de droom: Omdat Ik wist, dat gij dit met onschuldig hart hebt gedaan, heb Ik er u voor bewaard, tegen Mij te zondigen, en u daarom belet, haar aan te raken.stylus1 Samuël 25:34, 1 Samuël 25:34, 1 Samuël 25:26, 1 Samuël 25:26, Spreuken 21:17Geef nu de vrouw van dien man terug; want hij is een profeet. Hij zal voor u bidden, en ge zult blijven leven; maar als ge haar niet terugzendt, weet dan, dat ge zeker zult sterven, gij en al de uwen:stylusJob 42:8, 1 Samuël 7:5, Job 42:8, 1 Samuël 7:5, Hebreeën 13:48De volgende morgen riep Abimélek al zijn dienaren bijeen, en deelde hun de hele toedracht mee; zijn mannen schrokken er geweldig van.stylus9Nu liet Abimélek Abraham roepen, en zei hem: Wat hebt ge ons aangedaan? Wat heb ik tegen u misdreven, dat gij op mij en op mijn koninkrijk zo’n zware schuld hebt geladen. Ge hebt met mij iets gedaan, wat nog nooit is voorgekomen.stylusGenesis 12:18, Genesis 12:18, Genesis 26:10, Genesis 39:9, Genesis 26:1010En Abimélek vervolgde tot Abraham: Wat was eigenlijk uw bedoeling, toen ge dat deedt?stylus11Abraham antwoordde: Ik dacht, er mocht eens in deze stad volstrekt geen vrees voor God worden gevonden; dan zou men er mij om mijn vrouw vermoorden.stylusSpreuken 2:5, Nehemia 5:15, Genesis 26:7, Genesis 12:12, Spreuken 16:612Trouwens ze is ook werkelijk mijn zuster: de dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is ze mijn vrouw geworden.stylusGenesis 11:29, Genesis 11:29, 1 Tessalonicenzen 5:22, Genesis 12:13, 1 Tessalonicenzen 5:2213En toen God mijn rondzwervingen ver van mijn vaderlijk huis liet beginnen, zei ik tot haar: Ge moet me deze liefdedienst bewijzen: overal waar we komen, moet ge van mij vertellen: hij is mijn broer.stylusGenesis 12:1, Genesis 12:1, Genesis 12:9, Genesis 12:9, Handelingen 7:314Toen liet Abimélek schapen en runderen, slaven en slavinnen halen, gaf ze Abraham ten geschenke, en zond hem ook zijn vrouw Sara terug.stylusGenesis 12:16, Genesis 12:16, Genesis 20:11, Genesis 20:2, Genesis 20:715Abimélek sprak bovendien: Zie, mijn land ligt voor u open; ga wonen, waar het u bevalt.stylusGenesis 34:10, Genesis 13:9, Genesis 34:10, Genesis 13:9, Genesis 47:616En tot Sara zeide hij: Ziehier, ik geef duizend zilverstukken aan uw broer; dat zal in de ogen van al de uwen een vergoeding voor u zijn; en dan hebt ge in alles voldoening gekregen.stylusGenesis 20:5, Spreuken 27:5, Genesis 20:5, Spreuken 27:5, Genesis 24:6517Nu bad Abraham tot God; en God genas Abimélek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij kinderen konden krijgen.stylusJakobus 5:16, Jakobus 5:16, Filippenzen 4:6, Filippenzen 4:6, Jesaja 45:1118Want Jahweh had iedere schoot van Abiméleks huis gesloten om Sara, de vrouw van Abraham.stylusGenesis 12:17, Genesis 12:17, Genesis 30:2, Genesis 30:2, Genesis 20:7