Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 19

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 19

1De beide engelen kwamen tegen de avond te Sodoma aan, terwijl Lot juist in de poort van Sodoma was gezeten. Toen Lot hen zag, stond hij op, ging ze tegemoet, boog zich neer met zijn gezicht tegen de grond,
Genesis 18:1, Genesis 18:5, Genesis 18:22, Genesis 18:1, Genesis 18:5
2en zeide: Ik bid u, mijne heren; neemt toch uw intrek in het huis van uw dienaar, om daar te overnachten, en uw voeten te wassen; dan kunt ge morgenvroeg uw reis vervolgen. Zij gaven ten antwoord: Neen, we zullen liever op straat overnachten.
Genesis 18:4, Genesis 18:4, Handelingen 16:15, Lucas 24:28, Lucas 24:29
3Maar hij nodigde hen zó dringend uit, dat zij naar zijn huis gingen, en hun intrek bij hem namen. Hij richtte een maaltijd voor hen aan, liet ongedesemde broden bakken, en zij aten.
Genesis 18:6, Genesis 18:8, Genesis 18:6, Genesis 18:8, 1 Samuël 28:24
4Nog hadden ze zich niet ter ruste gelegd, of de mannen van de stad omringden het huis: de mannen van Sodoma, jong en oud, het hele volk tot den laatste toe.
Genesis 13:13, Genesis 13:13, Spreuken 4:16, Spreuken 4:16, Exodus 23:2
5Zij riepen tot Lot: Waar zijn de mannen, die vanavond bij u gekomen zijn? Breng ze naar buiten bij ons, opdat wij er omgang mee hebben.
Richteren 19:22, Richteren 19:22, Jesaja 3:9, Judas 1:7, Jesaja 3:9
6Lot ging naar buiten naar hen toe, maar sloot de deur achter zich dicht.
Richteren 19:23, Richteren 19:23
7En hij sprak: Broeders, dat kwaad moet ge niet doen.
Leviticus 20:13, Genesis 19:4, Leviticus 18:22, Romeinen 1:24, Richteren 19:23
8Luistert eens: ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest; die wil ik naar buiten tot u brengen, en ge kunt met haar doen, wat ge wilt. Maar deze mannen moogt ge niets doen; want zij staan onder de schutse van mijn dak.
Richteren 19:24, Richteren 19:24, Genesis 19:31, Genesis 19:38, Genesis 19:31
9Zij schreeuwden: Ruk in! Die komt hier als vreemdeling, en wil ons de les lezen. We konden je nog wel eens erger krijgen dan die anderen! Onstuimig drongen ze op tegen den man Lot, en kwamen al dichter en dichter bij, om de deur open te breken.
Exodus 2:14, Exodus 2:14, 2 Petrus 2:7, 2 Petrus 2:8, Genesis 13:12
10Toen staken de mannen hun hand uit, trokken Lot naar zich toe, het huis in, en sloten de deur;
11en de mannen, die voor de huisdeur stonden, klein en groot, sloegen zij met verblinding, zodat zij de ingang niet konden vinden.
2 Koningen 6:18, 2 Koningen 6:18, Handelingen 13:11, Handelingen 13:11, Deuteronomium 28:28
12Nu zeiden de mannen tot Lot: Wie ge nog hier hebt: uw schoonzoon, uw zonen en dochters en al de uwen hier in de stad, breng ze hier vandaan.
Genesis 7:1, Genesis 7:1, 2 Petrus 2:7, Openbaring 18:4, 2 Petrus 2:7
13Waarachtig, we gaan deze plaats verdelgen, want het wraakgeroep over hen schreit luid bij Jahweh; Jahweh heeft ons gezonden, om haar te vernielen.
Genesis 18:20, Genesis 18:20, Mattheüs 13:49, Mattheüs 13:50, Handelingen 12:23
14Lot ging naar buiten, om met zijn schoonzoons te spreken, die met zijn dochters waren verloofd; en hij zeide: Staat op, trekt gauw hier vandaan; want Jahweh gaat de stad verdelgen. Doch die schoonzoons dachten, dat hij maar schertste.
Numeri 16:21, Numeri 16:21, Numeri 16:45, Numeri 16:45, Numeri 16:26
15Maar toen de dageraad aanbrak, drongen de engelen bij Lot aan, en zeiden: Vlug; neem uw vrouw en uw beide dochters mee, die bij u in huis zijn; anders komt ge nog om bij de bestraffing van de stad.
Numeri 16:24, Numeri 16:27, Numeri 16:24, Numeri 16:27, Openbaring 18:4
16En toen hij nog talmde, namen de mannen hem, zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, en brachten hem in veiligheid buiten de stad, omdat Jahweh hem wilde sparen.
Romeinen 9:15, Romeinen 9:16, Romeinen 9:15, Romeinen 9:16, Psalmen 106:1
17En toen zij hen buiten hadden gebracht, zeiden zij: Vlucht, want het gaat om uw leven; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht naar de bergen, als ge niet mee wilt omkomen.
Mattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Mattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Lucas 9:62
18Maar Lot zeide tot hen: Och neen, Heer.
Johannes 13:6, Johannes 13:8, 2 Koningen 5:11, 2 Koningen 5:12, Jesaja 45:11
19Zie, uw dienaar heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt me reeds grote barmhartigheid bewezen, door mijn leven te redden; het is mij onmogelijk, het gebergte nog te bereiken, eer het onheil mij achterhaalt, en ik sterf.
Psalmen 106:1, Psalmen 106:48, Genesis 12:13, Mattheüs 8:25, Mattheüs 8:26
20Zie, het gindse stadje is genoeg dichtbij, om daarheen te vluchten. Het is toch zo klein. Laat me nu daarheen vluchten, en mijn leven behouden. Ach, het is toch zo klein!
Psalmen 119:175, Psalmen 119:175, Spreuken 3:5, Spreuken 3:7, Spreuken 3:5
21Hij sprak tot hem: Ook deze bede van u heb ik verhoord; het stadje, dat ge bedoelt, zal ik niet verwoesten.
Psalmen 145:19, Psalmen 145:19, Psalmen 102:17, Job 42:8, Job 42:9
22Vlucht er nu haastig heen; want ik kan niets beginnen, eer ge daar zijt aangekomen. Daarom wordt die stad Sóar genoemd.
Genesis 13:10, Genesis 13:10, Genesis 14:2, Genesis 14:2, Deuteronomium 9:14
23Toen de zon over de aarde was opgegaan, en Lot te Sóar was aangekomen,
24liet Jahweh zwavel en vuur van Jahweh uit de hemel regenen over Sodoma en Gomorra.
Deuteronomium 29:23, Deuteronomium 29:23, Jesaja 13:19, Jesaja 13:19, Judas 1:7
25Hij vernietigde die steden en de hele streek tot de grond toe, met al de bewoners van die steden en al wat op de akkers stond.
Psalmen 107:34, Psalmen 107:34, Genesis 14:3, Genesis 14:3, Genesis 13:10
26De vrouw van Lot, die achter hem aanliep, keek om, en werd in een zoutklomp veranderd.
Lucas 17:31, Lucas 17:32, Lucas 17:31, Lucas 17:32, Genesis 19:17
27Vroeg in de morgen begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij voor het aanschijn van Jahweh had gestaan.
Habakuk 2:1, Habakuk 2:1, Psalmen 5:3, Psalmen 5:3, Ezechiël 16:49
28Toen hij in de richting van Sodoma en Gomorra en het hele land in de omtrek keek, zag hij een walm van de aarde opstijgen als de rook van een smeltoven.
Openbaring 18:9, Openbaring 18:9, Openbaring 9:2, Openbaring 9:2, Judas 1:7
29Zo was God Abraham indachtig, toen Hij de steden van die streek verwoestte, en liet Hij ook Lot aan de verdelging ontkomen, waarmede Hij de steden trof, waarin Lot had gewoond.
Genesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 18:23
30Daar Lot niet in Sóar durfde blijven, trok hij uit Sóar weg, ging met zijn twee dochters in het gebergte wonen, en huisde met zijn beide dochters in een grot.
Genesis 19:19, Genesis 19:19, Genesis 13:10, Genesis 19:17, Jeremia 2:36
31Nu zeide de oudste tot de jongste: Onze vader wordt oud, en er is geen man in het land, om op de gebruikelijke manier gemeenschap met ons te houden.
Deuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:5, Genesis 16:2, Genesis 4:1, Genesis 6:4
32Kom, we moeten onzen vader wijn laten drinken, en bij hem gaan slapen; dan zullen we tenminste van onzen vader kroost verwekken.
Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Genesis 11:3
33Zij gaven haar vader die avond dan wijn te drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Spreuken 23:29, Spreuken 23:35, Habakuk 2:15
34De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: Zie, ik heb vannacht bij vader geslapen; laten wij hem vanavond weer wijn geven, en dan moet gij bij hem slapen; dan zullen we van onzen vader kroost verwekken.
Jesaja 3:9, Jeremia 3:3, Jeremia 6:15, Jeremia 8:12, Jeremia 5:3
35Ook die avond gaven ze haar vader wijn te drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
1 Petrus 4:7, 1 Korintiërs 10:11, 1 Korintiërs 10:12, Spreuken 24:16, Prediker 7:26
36Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van haar vader.
Habakuk 2:15, Habakuk 2:15, Genesis 19:8, 1 Samuël 15:33, Leviticus 18:6
37De oudste baarde een zoon, en noemde hem Moab; hij werd de vader der tegenwoordige Moabieten.
Deuteronomium 2:9, Deuteronomium 2:9, Ruth 4:10, 2 Koningen 3:1, 2 Koningen 3:27
38Ook de jongste baarde een zoon, en noemde hem Ben-Ammi; hij is de vader der tegenwoordige Ammonieten.
Deuteronomium 2:19, Deuteronomium 2:19, Nehemia 13:1, Nehemia 13:3, 1 Samuël 11:1

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 19
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward