1Geen eunuch of ontmande mag tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten.stylusGalaten 3:28, Galaten 3:28, Jesaja 56:3, Jesaja 56:4, Jesaja 56:32Ook mag geen bastaard tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten, zelfs niet in het tiende geslacht.stylusZacharia 9:6, Zacharia 9:6, Jesaja 57:3, Jesaja 57:3, Hebreeën 12:83Geen Ammoniet en Moabiet mag ooit tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten, zelfs niet in hun tiende geslacht.stylusNehemia 13:1, Nehemia 13:2, Nehemia 13:1, Nehemia 13:2, Nehemia 4:34Want bij uw uittocht uit Egypte hebben zij u onderweg geen brood en water willen verschaffen, terwijl Moab bovendien Balaäm, den zoon van Beor, uit Petor van Aram-Naharáim voor geld heeft ontboden, om u te vervloeken.stylusNehemia 13:2, Nehemia 13:2, 2 Petrus 2:15, Deuteronomium 2:28, Deuteronomium 2:295Wel heeft Jahweh, uw God, niet naar Balaäm willen luisteren, en de vloek voor u in zegen veranderd, omdat Jahweh, uw God, u beminde,stylusDeuteronomium 7:7, Deuteronomium 7:8, Deuteronomium 7:7, Deuteronomium 7:8, Romeinen 8:316maar toch moogt gij in der eeuwigheid niet hun geluk en welvaart bevorderen.stylusEzra 9:12, Ezra 9:12, 2 Samuël 12:31, Nehemia 13:23, Nehemia 13:257Voor den Edomiet behoeft ge geen afschuw te hebben, want hij is uw broeder; evenmin voor den Egyptenaar, omdat gij als vreemdeling in zijn land hebt vertoefd.stylusDeuteronomium 10:19, Exodus 22:21, Deuteronomium 10:19, Exodus 22:21, Leviticus 19:348De zonen, die hun worden geboren, mogen in het derde geslacht tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten.stylusExodus 20:5, Exodus 20:6, Exodus 20:5, Exodus 20:6, Deuteronomium 23:19Wanneer gij u in een legerplaats bevindt, om tegen uw vijanden op te trekken, moet gij er voor zorgen, niets onwelvoegelijks te doen.stylusJozua 6:18, Jozua 6:18, 2 Kronieken 19:4, Openbaring 19:11, Openbaring 19:1410Wanneer er dus iemand onder u is, die door wat hem des nachts overkwam, onrein is geworden, dan moet hij zich uit de legerplaats verwijderen. Hij mag niet in de legerplaats terugkomen,stylusLeviticus 15:16, Leviticus 15:16, Numeri 5:2, Numeri 5:3, Numeri 5:211eer hij zich bij het vallen van de avond met water heeft gewassen; eerst als de zon is ondergegaan, mag hij in de legerplaats terugkeren.stylusHebreeën 10:22, Lucas 11:38, Lucas 11:39, Leviticus 14:9, Leviticus 15:512Ook moet gij buiten het legerkamp een gelegenheid hebben, waar gij uw behoefte kunt doen.stylus13Gij moet ook een pin aan uw gordel hebben, om een gat te graven, wanneer gij buiten gaat zitten, en om er uw behoefte weer mee te bedekken.stylusEzechiël 24:6, Ezechiël 24:8, Ezechiël 24:6, Ezechiël 24:814Want Jahweh, uw God, vertoeft in uw kamp, om u te redden en uw vijanden aan u over te leveren. Uw legerplaats moet dus heilig zijn, opdat Hij niets onwelvoegelijks daarin ziet, en zich van u afkeert.stylusLeviticus 26:12, Leviticus 26:12, Genesis 17:1, Genesis 17:1, 2 Korintiërs 6:1615Gij moogt een slaaf, die van zijn heer naar u is gevlucht, niet aan zijn meester uitleveren.stylus1 Samuël 30:15, 1 Samuël 30:15, Obadja 1:14, Obadja 1:1416Hij zal te midden van u blijven wonen op een plaats, die hij verkiest, in een van uw steden, naar zijn goeddunken; ge moogt hem niet verdrukken.stylusExodus 22:21, Exodus 22:21, Exodus 23:9, Exodus 23:9, Jeremia 7:617Er mag geen tempeldeerne onder de dochters van Israël zijn, en geen schandjongen onder de zonen van Israël.stylus2 Koningen 23:7, 2 Koningen 23:7, Leviticus 19:29, 1 Koningen 14:24, Leviticus 19:2918Gij moogt geen deernen- en hondenloon in de tempel van Jahweh, uw God, brengen tot voldoening van geloften; want beide zijn een afschuw voor Jahweh, uw God.stylusFilippenzen 3:2, Filippenzen 3:2, Mattheüs 7:6, Openbaring 22:15, Mattheüs 7:619Gij moogt van uw broeder geen rente nemen, geen rente van geld, van levensmiddelen, of van iets, waarvoor men rente kan vragen.stylusExodus 22:25, Exodus 22:25, Leviticus 25:35, Leviticus 25:37, Psalmen 15:520Van een buitenlander moogt ge rente nemen, maar niet van uw broeder, opdat Jahweh, uw God, u moge zegenen bij al wat gij doet in het land, dat gij nu in bezit gaat nemen.stylusDeuteronomium 15:10, Deuteronomium 15:10, Deuteronomium 15:3, Deuteronomium 15:3, Deuteronomium 14:2121Wanneer ge aan Jahweh, uw God, een gelofte doet, talm dan niet, ze ook te volbrengen; want Jahweh, uw God, zal ze van u blijven eisen, en er zal schuld op u rusten.stylusPrediker 5:4, Prediker 5:5, Prediker 5:4, Prediker 5:5, Psalmen 66:1322Wanneer ge geen gelofte doet, rust er ook geen schuld op u;stylus23maar uw woord moet ge nauwgezet houden, juist zoals gij het Jahweh, uw God, vrijwillig beloofd hebt, en het met uw eigen mond hebt gesproken.stylusSpreuken 20:25, Spreuken 20:25, Richteren 11:30, Richteren 11:31, Richteren 11:3024Wanneer gij in de wijngaard van uw naaste komt, moogt ge druiven eten, zoveel ge wilt, tot gij genoeg hebt, maar niets in uw mand leggen.stylus1 Korintiërs 10:26, Romeinen 12:13, 1 Korintiërs 10:26, Romeinen 12:13, Hebreeën 13:525En wanneer ge door het korenveld van een ander gaat, moogt ge met uw hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het koren van uw naaste.stylusMarcus 2:23, Marcus 2:23, Mattheüs 12:1, Mattheüs 12:2, Mattheüs 12:1