1Zij is het Boek van Gods geboden, De Wet, die voor eeuwig bestaat! Die haar behouden, verkrijgen het leven, Die haar verlaten, de dood.stylusPsalmen 22:12, Psalmen 22:12, Amos 6:1, Amos 6:1, Amos 5:112Jakob, wend u tot haar, en houd haar vast, En wandel in de glans van haar licht.stylusPsalmen 89:35, Jeremia 16:16, Psalmen 89:35, Jeremia 16:16, Habakuk 1:153Geef aan anderen uw glorie niet weg, Uw voorrecht niet aan vreemde volken!stylusEzechiël 12:5, Ezechiël 12:5, Ezechiël 12:12, Ezechiël 12:12, Mattheüs 16:264Israël, hoe zijn wij gelukkig: Want ons is bekend, wat Gode behaagt!stylusHosea 4:15, Ezechiël 20:39, Hosea 4:15, Ezechiël 20:39, Hosea 9:155Houd moed, mijn volk; Israël, blijf het gedenken:stylusLeviticus 22:18, Leviticus 22:21, Leviticus 22:18, Leviticus 22:21, Hosea 9:106Niet ter vernieling zijt ge aan de heidenen verkocht, Maar aan uw vijand uitgeleverd, omdat ge God hebt getart.stylusHaggaï 2:17, Haggaï 2:17, Jeremia 5:3, Jeremia 5:3, Openbaring 16:107Want ge hebt uw Schepper vergramd, Door aan duivels te offeren, niet aan God;stylusExodus 9:26, Jeremia 3:3, Exodus 9:26, Jeremia 3:3, Jesaja 5:68Ge hebt den eeuwigen God vergeten, die u spijsde, Jerusalem bedroefd, die u voedde!stylusAmos 4:6, Amos 4:6, Haggaï 1:6, 1 Koningen 18:5, Haggaï 1:69Zo zag zij Gods gramschap over u komen, en sprak: Hoort, gij volken rond Sion: Een grote droefheid heeft God mij bereid;stylusHaggaï 2:17, Deuteronomium 28:22, Haggaï 2:17, Deuteronomium 28:22, Joël 1:410Want ik heb de verbanning moeten aanschouwen Van mijn zonen en dochters, Die de Eeuwige over hen heeft gebracht!stylusDeuteronomium 28:60, Deuteronomium 28:60, Leviticus 26:25, Joël 2:20, 2 Koningen 13:711Met vreugde heb ik ze groot gebracht; Met wenen en klagen liet ik ze gaan!stylusZacharia 3:2, Jesaja 13:19, Zacharia 3:2, Jesaja 13:19, Genesis 19:2412Laat niemand zich vrolijk over mij maken: Een weduwe, door zo velen verlaten, Eenzaam geworden, omdat mijn kinderen hebben gezondigd, Zijn afgeweken van Gods wet;stylus1 Tessalonicenzen 5:2, 1 Tessalonicenzen 5:4, 1 Tessalonicenzen 5:2, 1 Tessalonicenzen 5:4, Jakobus 4:113Omdat zij zijn rechten hebben miskend, De wegen van Gods geboden niet hebben bew andeld, De paden der tucht niet hebben betreden Volgens zijn gerechtigheid.stylusAmos 5:8, Amos 5:8, Micha 1:3, Micha 1:3, Amos 9:614Komt, gij volken rond Sion; Denkt aan de ballingschap van mijn zonen en dochters!stylus15Want Hij joeg een ver-verwijderd volk op hen af, Een schaamteloos volk, met vreemde spraak: Dat geen eerbied had voor den grijsaard, Geen medelijden met het kind,stylus16De lievelingen der weduwen heeft weggesleurd, De eenzame van haar dochters beroofd!stylus17Hoe zou ik u kunnen helpen?stylus18Die uw onheil voltrok, redt u uit de macht van uw vijand!stylus19Trekt weg, kinderen; ach, trekt weg; Want ik moet eenzaam achterblijven.stylus20Ik legde het kleed van vrede af, En sloeg de zak van mijn ellende om; Maar ik zal tot den Eeuwige blijven roepen, Mijn leven lang!stylus21Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Hij zal u redden uit het geweld En uit de macht der vijanden.stylus22Ja, ik vertrouw, dat de Eeuwige u zal bevrijden, En dat ik van den Heilige vreugde zal ontvangen, Om de ontferming, waaraan ge spoedig deelachtig zult worden, Van den Eeuwige, uw Verlosser!stylus23Met wenen en klagen liet ik u gaan, Maar God brengt u mij terug Tot eeuwige blijdschap en vreugde!stylus24Zoals Sions buren thans uw verbanning aanschouwen, Zo zullen ze spoedig uw verlossing zien, Die door God wordt bewerkt, Die uw deel zal worden Met grote luister en eeuwige glorie.stylus25Kinderen, verdraagt dan geduldig de gramschap, Die God over u heeft uitgestort. Zeker, de vijand heeft u vervolgd, Maar spoedig zult ge zijn ondergang zien, Uw voeten zetten op zijn nek.stylus26Mijn tere kinderen moesten ruwe wegen begaan, Weggesleept als een kudde, Buit gemaakt door den vijand.stylus27Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Want Hij, die u dit heeft berokkend, Zal u gedenken.stylus28Zoals ge geneigd waart, af te dwalen van God, Zo beijvert u tienmaal meer, Hem te zoeken;stylus29Want Hij, die over u de rampen deed komen, Zal u redding en eeuwige vreugde verschaffen!stylus30Jerusalem, houd moed; Die u zijn naam gaf, zal u troosten!stylus31Maar wee over hen, die u hebben mishandeld, En zich verheugden over uw val.stylus32Wee over de steden, Waaraan uw kinderen dienstbaar werden; Wee over haar, Die uw zonen in ballingschap nam.stylus33Waarachtig, zoals ze zich over uw val heeft verheugd, En over uw ondergang zich vrolijk gemaakt, Zo zal zij jammeren Over haar eigen verwoesting.stylus34Ik zal haar de vreugde over haar grote bevolking ontnemen, En haar trots zal in droefheid vergaan;stylus35Want de Eeuwige stort vuur op haar uit in lengte van dagen, Door duivels zal zij worden bewoond, lange tijd!stylus36Jerusalem, sla uw ogen op naar het oosten, En aanschouw de vreugde, die God u zendt!stylus37Zie daar komen uw zonen, Die gij moest laten vertrekken; Daar komen zij van de opgang der zon Tot haar ondergang, Bijeengebracht door het woord van den Heilige, Stralend van vreugde door de glorie van God!stylus