1En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.stylusGenesis 30:22, Genesis 19:29, Genesis 30:22, Genesis 19:29, Exodus 2:242Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.stylusGenesis 7:11, Genesis 7:11, Mattheüs 8:26, Mattheüs 8:27, Mattheüs 8:263Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.stylusGenesis 7:24, Genesis 7:24, Genesis 7:11, Genesis 7:114En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat.stylusJesaja 37:38, 2 Koningen 19:37, Jeremia 51:27, Jesaja 37:38, 2 Koningen 19:375En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien.stylusGenesis 7:11, Genesis 7:116En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed.stylusGenesis 6:16, Genesis 6:16, Daniël 6:10, Daniël 6:107En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.stylus1 Koningen 17:6, 1 Koningen 17:4, Leviticus 11:15, Job 38:41, Psalmen 147:98Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.stylusHooglied 2:14, Hooglied 2:14, Genesis 8:10, Genesis 8:12, Hooglied 2:119Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.stylusPsalmen 116:7, Mattheüs 11:28, Psalmen 116:7, Mattheüs 11:28, Johannes 16:3310En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.stylusGenesis 7:4, Genesis 7:4, Romeinen 8:25, Jesaja 26:8, Genesis 7:1011En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.stylusNehemia 8:15, Nehemia 8:15, Zacharia 4:12, Zacharia 4:14, Romeinen 10:1512Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.stylusJesaja 30:18, Jesaja 25:9, Jesaja 26:8, Genesis 8:10, Jesaja 30:1813En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.stylusGenesis 7:11, Genesis 7:1114En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.stylusGenesis 7:13, Genesis 7:14, Genesis 7:13, Genesis 7:14, Genesis 7:1115Toen sprak God tot Noach, zeggende:stylus16Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.stylusGenesis 7:13, Genesis 7:13, Psalmen 121:8, Psalmen 121:8, Genesis 7:717Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.stylusGenesis 1:22, Genesis 1:22, Jeremia 31:27, Jeremia 31:28, Jeremia 31:2718Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.stylusPsalmen 121:8, Psalmen 121:819Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.stylus20En Noach bouwde den Heere een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.stylusHebreeën 13:15, Hebreeën 13:16, Hebreeën 13:15, Hebreeën 13:16, Genesis 22:921En de Heere rook dien liefelijken, reuk, en de Heere zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.stylus2 Korintiërs 2:15, 2 Korintiërs 2:15, Efeziërs 5:2, Jeremia 17:9, Efeziërs 5:222Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.stylusJakobus 5:7, Jakobus 5:7, Psalmen 74:16, Psalmen 74:17, Psalmen 74:16