1En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;stylusGenesis 42:25, Genesis 42:25, Genesis 43:16, Genesis 43:16, Jesaja 3:12En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.stylus2 Korintiërs 8:8, 2 Korintiërs 8:8, Deuteronomium 8:16, Mattheüs 10:16, Genesis 42:153Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.stylus4Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?stylusJohannes 10:32, Psalmen 35:12, Johannes 10:32, Psalmen 35:12, 1 Samuël 24:175Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.stylusGenesis 30:27, Genesis 30:27, Deuteronomium 18:10, Deuteronomium 18:14, Leviticus 19:266En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.stylus7En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig een ding doen zouden.stylusGenesis 38:16, Genesis 38:18, Genesis 38:16, Genesis 38:18, Prediker 7:18Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän wedergebracht; hoe zouden wij dan uit het huis uws heren zilver of goud stelen?stylusGenesis 43:21, Genesis 43:22, Genesis 42:27, Genesis 42:21, Deuteronomium 5:199Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!stylusGenesis 31:32, Genesis 31:32, Handelingen 25:11, Genesis 44:16, Job 31:3810En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.stylusMattheüs 18:24, Mattheüs 18:25, Exodus 22:3, Genesis 44:17, Genesis 44:3311En zij haastten, en iegelijk zette zijn zak af op de aarde, en iegelijk opende zijn zak.stylus12En hij doorzocht, beginnende met den grootste, en voleindigende met den kleinste; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin.stylusGenesis 44:2, Genesis 43:14, Genesis 44:26, Genesis 44:32, Genesis 43:3313Toen scheurden zij hun klederen; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weder naar de stad.stylus2 Samuël 1:11, 2 Samuël 1:11, 2 Samuël 1:2, Genesis 37:29, Genesis 37:3414En Juda kwam met zijn broederen in het huis van Jozef; want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde.stylusGenesis 43:25, Genesis 43:16, Filippenzen 2:10, Filippenzen 2:11, Genesis 50:1815En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?stylusGenesis 3:13, Genesis 4:10, Exodus 32:1, Genesis 39:8, Genesis 44:416Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.stylusGenesis 44:9, Genesis 44:9, Daniël 9:7, Daniël 9:7, Numeri 32:2317Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uw vader.stylusGenesis 42:18, Spreuken 17:15, Genesis 37:32, Genesis 37:33, 2 Samuël 23:318Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Farao!stylusExodus 32:22, Exodus 32:22, Genesis 18:30, Genesis 41:40, Genesis 18:3019Mijn heer vraagde zijn knechten, zeggende: Hebt gijlieden een vader, of broeder?stylusGenesis 43:7, Genesis 43:7, Genesis 42:7, Genesis 42:10, Genesis 43:2920Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.stylusGenesis 37:3, Genesis 37:3, Genesis 42:38, Genesis 42:38, Lucas 7:1221Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla.stylusGenesis 42:15, Genesis 42:15, Genesis 42:20, Genesis 42:20, Genesis 43:2922En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.stylusGenesis 44:30, Genesis 42:38, Genesis 44:30, Genesis 42:3823Toen zeidet gij tot uw knechten: Indiën uw kleinste broeder met u niet afkomt, zo zult gij mijn aangezicht niet meer zien.stylusGenesis 43:3, Genesis 43:5, Genesis 43:3, Genesis 43:5, Genesis 42:1524En het is geschied, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heren verhaald hebben;stylusGenesis 42:29, Genesis 42:34, Genesis 42:29, Genesis 42:3425En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder. koopt ons een weinig spijze;stylusGenesis 43:2, Genesis 43:2, Genesis 43:5, Genesis 43:526Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broeder niet bij ons is.stylusLucas 11:7, Genesis 43:4, Genesis 43:5, Lucas 11:7, Genesis 43:427Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft.stylusGenesis 46:19, Genesis 46:19, Genesis 30:22, Genesis 30:25, Genesis 35:1628En de een is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe.stylusGenesis 37:33, Genesis 37:33, Genesis 42:36, Genesis 42:38, Genesis 37:1329Indiën gij nu dezen ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen!stylusGenesis 42:38, Genesis 42:38, Genesis 43:14, Genesis 43:14, Deuteronomium 31:1730Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (alzo zijn ziel aan de ziel van dezen gebonden is),stylus1 Samuël 18:1, 1 Samuël 18:1, Genesis 44:34, Genesis 44:31, Genesis 44:1731Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.stylusGenesis 44:29, Genesis 44:29, Genesis 37:35, Genesis 37:35, 1 Samuël 22:2232Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben!stylusGenesis 43:16, Genesis 43:8, Genesis 43:9, Genesis 43:16, Genesis 43:833Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken!stylus1 Johannes 3:16, 1 Johannes 3:16, Hebreeën 7:22, Romeinen 5:7, Romeinen 5:1034Want hoe zoude ik optrekken tot mijn vader, indien de jongeling niet met mij was, opdat ik den jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou.stylusEsther 8:6, Esther 8:6, 2 Kronieken 34:28, Psalmen 119:143, Job 31:29