1Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zeide Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet gij op elkander?stylusHandelingen 7:12, Handelingen 7:12, Jozua 7:10, Jozua 7:10, Exodus 5:192Voorts zeide hij: Ziet, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.stylusGenesis 43:8, Genesis 43:8, Mattheüs 4:4, Genesis 45:9, Genesis 43:43Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te kopen.stylusGenesis 42:13, Genesis 42:5, Genesis 42:13, Genesis 42:54Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete!stylusGenesis 42:38, Genesis 42:38, Genesis 3:22, Genesis 44:27, Genesis 44:345Alzo kwamen Israëls zonen om te kopen onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän.stylusHandelingen 7:11, Genesis 12:10, Genesis 41:57, Handelingen 7:11, Genesis 12:106Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.stylusGenesis 18:2, Genesis 37:7, Genesis 37:10, Genesis 45:26, Genesis 44:147Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaän; om spijze te kopen.stylusGenesis 42:30, Genesis 42:30, Mattheüs 15:23, Mattheüs 15:26, Genesis 42:148Jozef dan kende zijn broederen; maar zij kenden hem niet.stylusJohannes 20:14, Lucas 24:16, Johannes 21:4, Genesis 37:2, Johannes 20:149Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.stylusGenesis 37:5, Genesis 37:9, Genesis 37:5, Genesis 37:9, Exodus 32:3510En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om spijze te kopen.stylusGenesis 37:8, Genesis 37:8, 1 Samuël 26:17, Genesis 44:9, Genesis 27:3711Wij allen zijn eens mans zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders.stylusGenesis 42:19, Genesis 42:19, Genesis 42:33, Genesis 42:34, 2 Korintiërs 6:412En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.stylus13En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, eens mans zonen, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een is niet meer.stylusGenesis 37:30, Genesis 37:30, Genesis 44:20, Genesis 42:32, Genesis 44:2014Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders!stylusJob 13:24, Job 19:11, Mattheüs 15:21, Mattheüs 15:28, Genesis 42:915Hierin zult gij beproefd worden: zo waarlijk als Farao leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn!stylus1 Samuël 17:55, 1 Samuël 17:55, Genesis 42:16, 1 Samuël 1:26, Genesis 42:1216Zendt een uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zo waarlijk als Farao leeft, zo zijt gij verspieders!stylusGenesis 42:11, Genesis 42:1117En hij zette hen samen drie dagen in bewaring.stylusGenesis 40:4, Genesis 40:4, Genesis 40:7, Genesis 40:7, Genesis 41:1018En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God.stylusLeviticus 25:43, Leviticus 25:43, Nehemia 5:15, Nehemia 5:15, Genesis 20:1119Zo gij vroom zijt, zo zij een uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt het koren voor den honger uwer huizen.stylusGenesis 42:26, Genesis 40:3, Jeremia 37:15, Genesis 41:56, Jesaja 42:2220En brengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en gij zult niet sterven. En zij deden alzo.stylusGenesis 44:23, Genesis 43:5, Genesis 42:34, Genesis 44:23, Genesis 43:521Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.stylusHosea 5:15, Hosea 5:15, Job 36:8, Job 36:9, Genesis 37:2322En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!stylus2 Kronieken 24:22, 1 Koningen 2:32, Psalmen 9:12, 2 Kronieken 24:22, 1 Koningen 2:3223En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen.stylusJohannes 16:13, Johannes 16:14, 2 Korintiërs 5:20, Johannes 16:13, Johannes 16:1424Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen.stylusGenesis 43:30, Genesis 43:30, Jesaja 63:9, Genesis 45:14, Genesis 45:1525En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.stylus1 Petrus 3:9, 1 Petrus 3:9, Genesis 45:21, Mattheüs 6:33, Romeinen 12:1726En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen van daar.stylus27Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in den mond van zijn zak.stylusExodus 4:24, Exodus 4:24, Lucas 2:7, Genesis 43:21, Genesis 43:2228En hij zeide tot zijn broederen: Mijn geld is wedergekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft?stylusPsalmen 61:2, Klaagliederen 2:17, Genesis 42:36, Klaagliederen 3:37, Lucas 21:2629En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende:stylus30Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands.stylusGenesis 42:7, Genesis 42:731Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.stylusGenesis 42:11, Genesis 42:1132Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaän.stylus33En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt; laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen.stylusGenesis 42:19, Genesis 42:20, Genesis 42:19, Genesis 42:20, Genesis 42:1534En brengt uw kleinsten broeder tot mij; zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen.stylusGenesis 34:10, Genesis 34:10, Genesis 34:21, Genesis 34:21, 1 Koningen 10:1535En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.stylusGenesis 43:21, Genesis 43:21, Genesis 43:15, Genesis 43:12, Genesis 42:2736Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!stylusGenesis 43:14, Genesis 43:14, Prediker 7:8, Jesaja 27:9, Jesaja 41:1337Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weder tot u brengen!stylusMicha 6:7, Genesis 46:9, Micha 6:7, Genesis 46:9, Genesis 43:938Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.stylusGenesis 37:35, Genesis 37:35, Genesis 42:4, Genesis 37:33, Genesis 42:4