Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 35

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 35

1Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.
Genesis 31:13, Genesis 31:13, Hosea 12:4, Hosea 12:4, Genesis 35:7
2Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;
Exodus 19:14, Exodus 19:10, Exodus 19:14, Exodus 19:10, Jakobus 4:8
3En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.
Jesaja 43:2, Jesaja 43:2, Genesis 32:7, Genesis 31:3, Genesis 32:7
4Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.
Richteren 9:6, Richteren 9:6, Exodus 32:20, Jesaja 30:22, Richteren 8:24
5En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
Exodus 23:27, Exodus 23:27, 2 Kronieken 17:10, 2 Kronieken 17:10, Jozua 5:1
6Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaän ( dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.
Genesis 28:19, Genesis 28:19, Genesis 12:8, Genesis 28:22, Genesis 12:8
7En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.
Genesis 35:1, Genesis 28:13, Genesis 35:3, Genesis 35:1, Genesis 28:13
8En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth.
Genesis 24:59, Genesis 24:59, 1 Samuël 31:13, 1 Samuël 31:13, Richteren 2:5
9En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.
Genesis 35:1, Genesis 18:1, Genesis 26:2, Genesis 12:7, Genesis 35:1
10En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
Genesis 17:5, Genesis 17:5, Genesis 32:27, Genesis 32:28, Genesis 32:27
11Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
Genesis 17:1, Genesis 17:1, Genesis 22:17, Genesis 9:1, Genesis 22:17
12En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.
Genesis 12:7, Genesis 12:7, Genesis 28:13, Genesis 28:13, Genesis 26:3
13Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
Genesis 17:22, Genesis 17:22, Genesis 18:33, Genesis 18:33, Genesis 11:5
14En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.
Genesis 28:18, Genesis 28:19, Genesis 28:18, Genesis 28:19, Genesis 31:45
15En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el.
Genesis 28:19, Genesis 28:19
16En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
Micha 5:2, Micha 5:2, Mattheüs 2:18, Genesis 48:7, Mattheüs 2:18
17En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!
Genesis 30:24, Genesis 30:24, 1 Samuël 4:19, 1 Samuël 4:21, 1 Samuël 4:19
18En het geschiedde, als haar ziel uitging ( want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
Handelingen 7:59, 1 Kronieken 4:9, Lucas 23:46, Handelingen 7:59, 1 Kronieken 4:9
19Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.
Micha 5:2, Micha 5:2, Genesis 48:7, Genesis 48:7, Ruth 4:11
20En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.
1 Samuël 10:2, 1 Samuël 10:2, Genesis 35:14, 2 Samuël 18:17, 2 Samuël 18:18
21Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-eder.
Micha 4:8, Micha 4:8, Lucas 2:8, Lucas 2:8
22En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.
1 Kronieken 5:1, 1 Kronieken 5:1, Leviticus 18:8, Leviticus 18:8, 2 Samuël 16:21
23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
Genesis 30:18, Genesis 30:20, Genesis 30:18, Genesis 30:20, Genesis 29:32
24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
Genesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 46:19
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
Genesis 46:23, Genesis 46:25, Genesis 30:4, Genesis 30:8, Genesis 37:2
26En de zonen van Zilpa, Lea’s dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram.
Genesis 31:18, Genesis 30:9, Genesis 30:13, Genesis 46:16, Genesis 46:18
27En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
Genesis 13:18, Genesis 13:18, Genesis 23:19, Genesis 23:19, Genesis 18:1
28En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
Genesis 25:7, Genesis 25:7, Genesis 50:26, Genesis 50:26, Genesis 47:28
29En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
Genesis 15:15, Genesis 15:15, Genesis 49:33, Genesis 49:33, Genesis 49:31

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 35
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward