1De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de Heere God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?stylus2 Korintiërs 11:3, 2 Korintiërs 11:3, 2 Korintiërs 11:14, 2 Korintiërs 11:14, Openbaring 12:92En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;stylusPsalmen 58:4, Psalmen 58:43Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.stylusGenesis 2:16, Genesis 2:17, Genesis 2:16, Genesis 2:17, Genesis 20:64Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;stylus2 Korintiërs 11:3, Johannes 8:44, 2 Korintiërs 11:3, Johannes 8:44, 1 Timotheüs 2:145Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.stylusEzechiël 28:2, Ezechiël 28:2, 2 Tessalonicenzen 2:4, 2 Tessalonicenzen 2:4, Genesis 2:176En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.stylus1 Johannes 2:16, 1 Johannes 2:16, Jakobus 1:14, Jakobus 1:15, Jakobus 1:147Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.stylusJesaja 59:6, Jesaja 59:6, Genesis 2:25, Genesis 2:25, Genesis 3:58En zij hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den Heere God, in het midden van het geboomte des hofs.stylusJeremia 23:24, Jeremia 23:24, Spreuken 15:3, Spreuken 15:3, Hebreeën 4:139En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?stylusGenesis 4:9, Genesis 4:9, Genesis 18:20, Genesis 18:21, Genesis 16:810En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.stylusGenesis 2:25, Genesis 2:25, Jesaja 47:3, Psalmen 119:120, Jesaja 57:1111En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?stylusRomeinen 3:20, Romeinen 3:20, Genesis 4:10, Genesis 4:10, Psalmen 50:2112Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.stylusSpreuken 28:13, Spreuken 28:13, Jakobus 1:13, Jakobus 1:15, Jakobus 1:1313En de Heere God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.stylus2 Korintiërs 11:3, 2 Korintiërs 11:3, 1 Timotheüs 2:14, 1 Timotheüs 2:14, Genesis 4:1014Toen zeide de Heere God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.stylusMicha 7:17, Micha 7:17, Jesaja 65:25, Jesaja 65:25, Psalmen 72:915En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.stylusRomeinen 16:20, Romeinen 16:20, 1 Johannes 3:8, 1 Johannes 3:8, Openbaring 12:1716Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.stylusTitus 2:5, Titus 2:5, Kolossenzen 3:18, Kolossenzen 3:18, 1 Korintiërs 11:317En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.stylusRomeinen 8:20, Romeinen 8:22, Romeinen 8:20, Romeinen 8:22, Genesis 5:2918Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.stylusJesaja 7:23, Mattheüs 13:7, Job 5:5, Jesaja 7:23, Mattheüs 13:719In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.stylusPrediker 12:7, Prediker 12:7, Job 34:15, Job 34:15, Psalmen 104:2920Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.stylusMattheüs 1:23, Genesis 2:23, Mattheüs 1:23, Genesis 2:23, Genesis 5:2921En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.stylusJesaja 61:10, Jesaja 61:10, 2 Korintiërs 5:21, 2 Korintiërs 5:21, 2 Korintiërs 5:222Toen zeide de Heere God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.stylusOpenbaring 2:7, Openbaring 2:7, Openbaring 22:14, Openbaring 22:14, Openbaring 22:223Zo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.stylusGenesis 4:2, Genesis 4:2, Genesis 4:12, Genesis 3:19, Genesis 4:1224En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.stylusHebreeën 1:7, Hebreeën 1:7, Psalmen 104:4, Psalmen 104:4, Exodus 25:18