1En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;stylusGenesis 10:10, Genesis 10:10, Genesis 10:22, Genesis 11:2, Genesis 10:222Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar.stylusGenesis 13:10, Genesis 13:10, Deuteronomium 29:23, Deuteronomium 29:23, Genesis 10:193Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.stylusDeuteronomium 3:17, Jozua 3:16, Numeri 34:12, Deuteronomium 3:17, Jozua 3:164Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.stylusEzechiël 17:15, Genesis 9:25, Genesis 9:26, Ezechiël 17:15, Genesis 9:255Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;stylusDeuteronomium 3:11, Deuteronomium 2:10, Deuteronomium 2:11, Deuteronomium 1:4, Genesis 15:206En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.stylusDeuteronomium 2:22, Deuteronomium 2:22, Deuteronomium 2:12, Genesis 21:21, Deuteronomium 2:127Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.stylus2 Kronieken 20:2, 2 Kronieken 20:2, Genesis 16:14, Genesis 20:1, Genesis 16:148Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,stylusGenesis 13:10, Genesis 19:20, Genesis 19:22, Genesis 13:10, Genesis 19:209Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.stylus10Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.stylusGenesis 19:17, Genesis 19:17, Genesis 19:30, Genesis 19:30, Jeremia 48:4411En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.stylusGenesis 14:16, Genesis 14:21, Genesis 14:16, Genesis 14:21, Deuteronomium 28:3512Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.stylusGenesis 12:5, Genesis 12:5, Genesis 11:27, Openbaring 3:19, Genesis 11:2713Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.stylusGenesis 13:18, Genesis 13:18, Genesis 14:24, Genesis 14:24, Genesis 40:1514Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.stylusRichteren 18:29, Richteren 18:29, Genesis 15:3, Genesis 15:3, Genesis 17:2715En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.stylusHandelingen 9:2, Handelingen 9:2, 1 Koningen 15:18, Psalmen 112:5, Deuteronomium 15:216En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.stylus1 Samuël 30:8, 1 Samuël 30:18, 1 Samuël 30:19, 1 Samuël 30:8, 1 Samuël 30:1817En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet ( nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.stylus2 Samuël 18:18, 2 Samuël 18:18, Hebreeën 7:1, Spreuken 19:4, Hebreeën 7:118En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.stylusHebreeën 6:20, Hebreeën 7:3, Hebreeën 6:20, Hebreeën 7:3, Psalmen 110:419En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!stylusHebreeën 7:6, Hebreeën 7:7, Hebreeën 7:6, Hebreeën 7:7, Genesis 14:2220En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.stylusGenesis 28:22, Genesis 28:22, Maleachi 3:10, Hebreeën 7:4, Hebreeën 7:921En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.stylus22Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den Heere, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;stylusDaniël 12:7, Daniël 12:7, Exodus 6:8, Daniël 4:34, Richteren 11:3523Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!stylus2 Koningen 5:16, 2 Koningen 5:16, 2 Korintiërs 11:9, 2 Korintiërs 11:12, 2 Korintiërs 11:924Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!stylusSpreuken 3:27, Mattheüs 7:12, Genesis 14:13, Spreuken 3:27, Mattheüs 7:12