1Maar eens zei haar schoonmoeder Noömi tot haar: Ik moet toch een tehuis voor u zoeken, mijn dochter, waarin ge het goed zult hebben.stylusRuth 1:9, Ruth 1:9, 1 Timotheüs 5:8, 1 Timotheüs 5:8, 1 Timotheüs 5:142Welnu, die Bóoz, die bloedverwant van ons, bij wiens knechten ge zijt geweest, gaat vanavond gerst wannen op het dorsveld.stylusDeuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:10, Deuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:10, Ruth 2:203Ga u wassen en zalven; doe dan uw mantel om, en ga naar het dorsveld. Maar ge moet er voor zorgen, door den man niet opgemerkt te worden, vóór hij klaar is met eten en drinken.stylus2 Samuël 14:2, 2 Samuël 14:2, 1 Timotheüs 2:9, 1 Timotheüs 2:10, 1 Timotheüs 2:94Als hij echter gaat slapen, let dan goed op, waar hij zich neerlegt; ge gaat er heen, neemt het dek van zijn voeten weg, en legt u daar neer; hij zal u wel zeggen, wat ge moet doen.stylus1 Tessalonicenzen 5:22, 1 Tessalonicenzen 5:225Zij antwoordde haar: Ik zal doen, wat ge gezegd hebt.stylusKolossenzen 3:20, Kolossenzen 3:20, Efeziërs 6:1, Efeziërs 6:16Daarop ging ze naar het dorsveld, en deed, wat haar schoonmoeder haar bevolen had.stylusSpreuken 1:8, Spreuken 1:8, Johannes 2:5, Exodus 20:12, Johannes 2:57Toen Bóoz gegeten en gedronken had, en in goede stemming bij de rand van de gersthoop was gaan slapen, sloop Rut er heen, nam het dek van zijn voeten weg en legde zich neer.stylusRichteren 19:6, Esther 1:10, Richteren 19:6, Esther 1:10, Richteren 19:98Midden in de nacht nu schrok de man op; hij voelde om zich heen, en zie: daar lag een vrouw aan zijn voeten!stylus9Hij vroeg: Wie zijt ge? Zij antwoordde: Ik ben Rut, uw dienstmaagd; sla uw mantelslip over uw dienstmaagd heen, want gij zijt losser.stylusEzechiël 16:8, Ezechiël 16:8, Ruth 2:20, Ruth 2:20, Ruth 3:1210Toen zei hij: Wees door Jahweh gezegend, mijn kind; dit tweede bewijs van uw goedheid is nog mooier dan het eerste; want ge zijt geen jonge mannen achterna geloopen, geen arme of rijke.stylusRuth 2:20, Ruth 2:20, 1 Korintiërs 13:4, 1 Korintiërs 13:5, Ruth 1:811Hebt dus geen zorgen, mijn kind! Al wat ge me vraagt, zal ik voor u doen; want al mijn stadgenoten weten, dat ge een deugdzame vrouw zijt.stylusSpreuken 31:29, Spreuken 31:31, Spreuken 31:29, Spreuken 31:31, Spreuken 31:1012En nu, ik ben inderdaad losser; maar er is nog een ander losser, die u nader staat dan ik.stylusRuth 4:1, Ruth 4:1, 1 Tessalonicenzen 4:6, 1 Tessalonicenzen 4:6, Mattheüs 7:1213Blijf voor vannacht nu maar hier. Wanneer morgen die man als losser u nemen wil, goed, dan doe hij dat; maar wil hij het niet, dan zal ik als losser u nemen, zowaar Jahweh leeft. Ga nu maar slapen tot morgenvroeg.stylusJeremia 4:2, Ruth 4:5, Jeremia 4:2, Ruth 4:5, Ruth 2:2014Ze sliep dus aan zijn voeten tot de volgende morgen. Maar nog vóór men elkaar kon herkennen, stond ze reeds op; want hij dacht: Men behoeft niet te weten, dat de vrouw op het dorsveld geweest is.stylus2 Korintiërs 8:21, 2 Korintiërs 8:21, Romeinen 14:16, Romeinen 14:16, 1 Korintiërs 10:3215Daarop zei hij: Geef die doek eens hier, die ge om hebt, en houd hem op. En terwijl ze hem ophield, schudde hij er zes maten gerst in uit, en belaadde haar er mee. Zo ging ze naar de stad,stylusJesaja 32:8, Galaten 6:10, Jesaja 32:8, Galaten 6:1016en kwam bij haar schoonmoeder. Deze vroeg: Hoe is het u gegaan, mijn dochter? Ze vertelde haar al wat de man met haar had gedaan.stylus17En ze vervolgde: Hij heeft mij ook nog deze zes maten gerst gegeven. Hij zeide:Ge moogt niet met lege handen bij uw schoonmoeder komen.stylus18Toen zei Noömi: Wacht nu maar geduldig af, mijn dochter, tot ge weet, hoe de zaak uitvalt; want die man zal wel niet rusten, eer hij, vandaag nog, deze aangelegenheid heeft afgewikkeld.stylusPsalmen 37:3, Psalmen 37:5, Psalmen 37:3, Psalmen 37:5, Jesaja 28:16