1Nu had Noömi een bloedverwant van de kant van haar man, een vermogend man uit Eliméleks geslacht, Bóoz genaamd.stylusRuth 4:21, Ruth 4:21, Ruth 3:12, Ruth 3:2, Ruth 3:122Eens zei Rut, de moabietische, tot Noömi: Ik zal naar het veld gaan, om aren te lezen achter hem, in wiens ogen ik genade vinden zal. Zij antwoordde: Ga, mijn dochter.stylusLeviticus 23:22, Leviticus 23:22, Leviticus 19:9, Leviticus 19:9, Deuteronomium 24:193Ze ging dus, en begon in het veld achter de maaiers aren te lezen. Nu wilde het toeval, dat het een akker was van Bóoz uit het geslacht van Elimélek.stylusLucas 10:31, Mattheüs 10:29, 2 Tessalonicenzen 3:12, Lucas 10:31, Mattheüs 10:294En zie, daar kwam Bóoz uit Betlehem aan. Hij groette de maaiers: Jahweh zij met u! Zij groetten hem terug: Jahweh zegene u!stylusPsalmen 129:7, Psalmen 129:8, Psalmen 129:7, Psalmen 129:8, Richteren 6:125Daarop vroeg Bóoz aan den opzichter der maaiers: Van wie is dat meisje daar?stylusRuth 4:21, 1 Kronieken 2:11, 1 Kronieken 2:12, Ruth 4:21, 1 Kronieken 2:116De opzichter der maaiers antwoordde: Dat is de jonge moabietische, die met Noömi uit het land van Moab is teruggekomen.stylusRuth 1:22, Ruth 1:22, Genesis 39:4, Genesis 15:2, Genesis 24:27Ze zei: Ik zou graag aren willen lezen en achter de maaiers bij de schoven gaan rapen. Zo kwam ze, en was van vanmorgen tot nu toe op de been; geen ogenblik rust heeft ze zich gegund.stylusSpreuken 18:23, Spreuken 13:4, Spreuken 15:33, Spreuken 22:29, Spreuken 18:238Nu richtte Bóoz zich tot Rut: Luister eens, mijn kind; ge moet niet op een andere akker gaan rapen en hier niet vandaan gaan, maar bij mijn knechten blijven.stylus2 Koningen 5:13, 2 Koningen 5:13, Hooglied 1:7, Hooglied 1:8, Hooglied 1:79Ge houdt u aan de akker, die ze maaien, en blijft hen volgen. Ik heb mijn jongens reeds bevolen, u niet lastig te vallen. En als ge dorst hebt, gaat ge naar de kruiken, en drinkt ge van wat de jongens scheppen.stylus1 Johannes 5:18, 1 Johannes 5:18, Genesis 20:6, Genesis 20:6, 1 Korintiërs 7:110Toen boog ze zich plat voor hem ter aarde, en zei: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat ge u iets aan mij gelegen laat liggen, ofschoon ik maar een vreemde ben?stylus1 Samuël 25:23, 1 Samuël 25:23, Ruth 2:13, Ruth 2:13, Lucas 1:4811Bóoz hernam: Men heeft me verteld, wat ge na de dood van uw man voor uw schoonmoeder gedaan hebt; hoe ge uw vader en uw moeder verliet en het land, waar ge geboren zijt, om naar een volk te gaan, dat u vóór die tijd onbekend was.stylusLucas 14:33, Lucas 14:33, Lucas 18:29, Lucas 18:30, Lucas 18:2912Jahweh vergelde u wat ge gedaan hebt! Moge Jahweh, de God van Israël, onder wiens vleugelen ge uw toevlucht zijt komen zoeken, u overvloedig belonen.stylusPsalmen 36:7, Psalmen 36:7, Psalmen 91:4, Psalmen 91:4, Psalmen 63:713Rut hernam: Heer, laat me slechts genade in uw ogen vinden! Gij hebt me moed gegeven en vleiende woorden tot uw dienstmaagd gesproken, ofschoon ik me niet met een van uw dienstmaagden vergelijken mag.stylus1 Samuël 1:18, 1 Samuël 1:18, Genesis 33:8, Genesis 34:3, Genesis 33:814Toen het etenstijd was, zeide Bóoz tot haar: Kom hier, dan kunt ge meeëten van onze spijzen, en uw brood meedopen in de azijn. Ze ging dus bij de maaiers zitten; en hij gaf haar zoveel geroosterd graan, dat ze volop kon eten en nog overhield.stylusRuth 2:18, Ruth 2:18, Mattheüs 14:20, Deuteronomium 8:10, 2 Koningen 4:4315Toen ze opstond, om weer aren te lezen, beval Bóoz zijn knechten: Laat haar ook wat tussen de schoven rapen, en hindert haar niet.stylusJakobus 1:5, Jakobus 1:516Ge moet ook met opzet voor haar wat uit de bossen laten glippen, en als ze het opraapt, niet tegen haar uitvallen.stylusRomeinen 12:13, Deuteronomium 24:19, Deuteronomium 24:21, 1 Johannes 3:17, 1 Johannes 3:1817Zo bleef ze tot de avond aren lezen op de akker; toen klopte ze uit, wat ze geraapt had: Het was bijna een hele efa gerst.stylusSpreuken 31:27, Ezechiël 45:11, Ezechiël 45:12, Spreuken 31:27, Ezechiël 45:1118Ze nam het mee en ging naar de stad. Toen haar schoonmoeder zag, wat ze verzameld had, en Rut haar ook nog verraste met wat zij, na zelf volop gegeten te hebben, had overgehouden,stylusRuth 2:14, Ruth 2:14, Johannes 6:12, Johannes 6:13, 1 Timotheüs 5:419vroeg haar schoonmoeder haar: Waar hebt ge vandaag verzameld, en met wien hebt ge te doen gehad? Gezegend hij, die zich over u heeft ontfermd. Nu vertelde ze haar schoonmoeder, bij wien ze gewerkt had, en zei: De man, bij wien ik vandaag gewerkt heb, heet Bóoz.stylusPsalmen 41:1, Ruth 2:10, Psalmen 41:1, Ruth 2:10, 1 Koningen 7:2120Toen zei Noömi tot haar schoondochter: Moge hij zegen ontvangen van Jahweh, die in zijn ontferming levenden noch doden vergeet! En ze ging voort: Die man is ons verwant; hij is een van onze lossers.stylus2 Samuël 2:5, Ruth 3:9, Ruth 3:10, 2 Samuël 2:5, Ruth 3:921Rut, de moabietische, hernam: Hij heeft me ook nog gezegd: "Blijf bij mijn knechten, totdat ze mijn hele oogst hebben binnengehaald."stylusRuth 2:7, Ruth 2:8, Hooglied 1:7, Hooglied 1:8, Ruth 2:2222En Noömi zei tot haar schoondochter Rut: Het is goed, mijn dochter, dat ge met zijn knechten meegaat; op een ander veld kon men u wel eens lastig vallen.stylusHooglied 1:8, Hooglied 1:8, Spreuken 27:10, Spreuken 27:1023Zo bleef ze bij de knechten van Bóoz aren lezen, tot de gehele gerste- en tarweoogst binnen was. Daarna bleef ze bij haar schoonmoeder thuis.stylusSpreuken 6:6, Spreuken 6:8, Spreuken 13:1, Efeziërs 6:1, Efeziërs 6:3