1Toen de Israëlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor zeven jaar over in de hand der Midjanieten;stylusNehemia 9:26, Nehemia 9:29, Numeri 31:1, Numeri 31:3, Richteren 2:192en de hand van Midjan drukte zwaar op Israël neer. Om aan de Midjanieten te ontsnappen, maakten de Israëlieten zich holen en spelonken in de bergen en versterkte plaatsen.stylusHebreeën 11:38, 1 Samuël 13:6, Hebreeën 11:38, 1 Samuël 13:6, 1 Samuël 14:113Telkens als de Israëlieten gezaaid hadden, trokken de Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten tegen hen uit,stylusRichteren 3:13, Richteren 6:33, Richteren 7:12, Richteren 3:13, Richteren 6:334sloegen bij hen hun legerplaats op, en vernielden de oogst van het land tot Gaza toe; niets wat tot levensonderhoud strekt, lieten ze in Israël achter: geen schaap, rund of ezel.stylusLeviticus 26:16, Leviticus 26:16, Deuteronomium 28:51, Deuteronomium 28:51, Micha 6:155Wanneer ze kwamen opzetten met hun kudden, waren hun tenten talrijk als sprinkhanen, en zijzelf met hun kamelen ontelbaar. Ze vielen het land binnen om het te verwoesten,stylusRichteren 7:12, Richteren 7:12, Richteren 8:10, Richteren 8:10, Jeremia 49:296zodat Israël door Midjan zeer verarmde, en de Israëlieten tot Jahweh begonnen te roepen.stylusRichteren 3:9, Richteren 3:9, Psalmen 50:15, Psalmen 106:43, Psalmen 106:447Toen de Israëlieten dan om Midjan Jahweh aanriepen,stylus8zond Jahweh een profeet tot de Israëlieten, die hun zeide: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik ben het, die u uit Egypte heb geleid, en u uit het slavenhuis heb gevoerd.stylusEzechiël 20:5, Ezechiël 20:32, Ezechiël 20:5, Ezechiël 20:32, Jesaja 63:99Ik heb u verlost uit de hand der Egyptenaren en van allen, die u verdrukten; Ik heb hen voor u uitgedreven, en u hun land geschonken.stylusPsalmen 44:2, Psalmen 44:3, Psalmen 44:2, Psalmen 44:310En Ik heb u gezegd: Ik ben Jahweh, uw God; ge moogt de goden der Amorieten, in wier land ge woont, niet vereren! Maar ge hebt naar Mij niet geluisterd.stylusJeremia 10:2, Jeremia 10:2, Jeremia 9:13, 2 Koningen 17:35, 2 Koningen 17:3911Eens kwam de engel van Jahweh, en zette zich neer onder de terebint in Ofra, dat aan Joasj van Abiézer toebehoorde. Zijn zoon Gedeon was juist bezig, tarwe te dorsen in de perskuip, om ze voor de Midjanieten te verbergen.stylusJozua 17:2, Jozua 17:2, Hebreeën 11:32, Hebreeën 11:32, Richteren 13:312De engel van Jahweh vertoonde zich aan hem, en sprak hem toe: Jahweh is met u, dappere held!stylusLucas 1:28, Jozua 1:5, Lucas 1:28, Jozua 1:5, Richteren 2:1813Gedeon gaf ten antwoord: Och heer, als Jahweh met ons is, waarom overkomt ons dit alles? Waar zijn dan al zijn wonderdaden, waarvan onze vaderen ons verhaalden, als ze zeiden: "Jahweh heeft ons uit Egypte gevoerd!" Want nu heeft Jahweh ons verworpen en in de hand der Midjanieten geleverd.stylusPsalmen 77:7, Psalmen 77:9, Psalmen 77:7, Psalmen 77:9, 2 Kronieken 15:214Toen keerde de engel van Jahweh zich naar hem toe, en sprak: Ga, want nu zijt ge sterk! Ge zult Israël uit de hand van Midjan bevrijden; zie, Ik zend u.stylusHebreeën 11:34, Hebreeën 11:34, Jozua 1:5, Jozua 1:9, Jozua 1:515Maar hij antwoordde: Och heer, hoe zal ik Israël kunnen verlossen? Mijn geslacht is immers het geringste in Manasse, en ik ben de minste in het huis van mijn vader.stylus1 Samuël 9:21, 1 Samuël 9:21, Exodus 3:11, Exodus 3:11, Exodus 4:1016Maar de engel van Jahweh hernam: Waarachtig, Ik zal met u zijn; ge zult de Midjanieten als één man verslaan.stylusJozua 1:5, Exodus 3:12, Jozua 1:5, Exodus 3:12, Handelingen 11:2117Nu vroeg hij hem: Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef me dan een teken, dat Gij het zijt, die met me spreekt.stylusJesaja 7:11, Exodus 33:13, Psalmen 86:17, Jesaja 7:11, Exodus 33:1318Ga niet weg van hier, vóór ik bij U terug ben met de gave, die ik U wil aanbieden. Hij antwoordde: Ik blijf hier, tot ge terug zijt.stylusGenesis 18:3, Richteren 13:15, Genesis 18:5, Genesis 18:3, Richteren 13:1519Gedeon ging heen, maakte een geitebokje klaar, en bakte van een maat meel ongedesemd brood. Het vlees legde hij op een schotel, en het nat deed hij in een aarden pot; dit bracht hij naar hem toe onder de terebint, en bood het hem aan.stylusGenesis 18:6, Genesis 18:8, Genesis 18:6, Genesis 18:8, Richteren 13:1520Maar Gods engel zeide tot hem: Neem het vlees en het ongedesemde brood, leg het neer op die steen, en giet er het nat over uit. Toen hij dat gedaan had,stylusRichteren 13:19, Richteren 13:19, 1 Koningen 18:33, 1 Koningen 18:34, 1 Koningen 18:3321strekte de engel van Jahweh de punt van de staf uit, die hij in zijn hand hield, en raakte er het vlees en het ongedesemd brood mee aan. En er schoot een vuur uit de steen, dat het vlees en het ongedesemd brood verteerde. Toen verdween de engel van Jahweh.stylusLeviticus 9:24, Leviticus 9:24, 1 Koningen 18:38, 2 Kronieken 7:1, 1 Koningen 18:3822Nu wist Gedeon, dat het de engel van Jahweh geweest was. En Gedeon zeide: Ach Jahweh, mijn Heer; daar heb ik, zo waar, den engel van Jahweh van aanschijn tot aanschijn gezien!stylusGenesis 32:30, Genesis 32:30, Exodus 33:20, Exodus 33:20, Deuteronomium 5:2623Maar Jahweh sprak: Vrede zij u! Wees niet bang; ge zult niet sterven.stylusDaniël 10:19, Daniël 10:19, Genesis 43:23, Johannes 20:26, Genesis 43:2324Toen bouwde Gedeon een altaar voor Jahweh, en noemde het Jahweh-Sjalom. Tot op heden staat het er nog in Ofra van Abiézer.stylusExodus 17:15, Genesis 22:14, Exodus 17:15, Genesis 22:14, Richteren 8:3225In diezelfde nacht sprak Jahweh tot hem: Neem het vette kalf van uw vader, haal het altaar van Báal omver, en hak de asjera, die erbij staat, aan stukken.stylusRichteren 3:7, Exodus 34:13, Richteren 3:7, Exodus 34:13, Mattheüs 10:3726Bouw dan op de top van deze versterkte plaats een altaar voor Jahweh, uw God, zoals het behoort; neem het vette kalf en offer het op het hout van de asjera, die ge hebt stuk geslagen.stylus1 Korintiërs 14:40, 1 Korintiërs 14:40, 1 Korintiërs 14:33, 2 Samuël 24:18, 1 Korintiërs 14:3327Gedeon koos tien van zijn knechten uit, en deed zoals Jahweh hem gezegd had; maar hij was te bang voor zijn familie en de inwoners der stad, om het overdag te doen, en deed het daarom des nachts.stylus1 Tessalonicenzen 2:4, Johannes 2:5, 1 Tessalonicenzen 2:4, Johannes 2:5, Deuteronomium 4:128Toen de burgers der stad de volgende morgen opstonden, lag het altaar van Báal omver, de asjera, die erbij stond, in stukken, en het vette kalf als offerande op het nieuw gebouwde altaar.stylus29Ze zeiden elkaar: Wie zou dit hebben gedaan? En toen ze eens navroegen en onderzochten, zeide men: Gedeon, de zoon van Joasj, heeft het gedaan.stylus30Nu zeiden de burgers der stad tot Joasj: Lever uw zoon uit; hij moet sterven! Want hij heeft het altaar van Báal omver gehaald, en de asjera, die erbij stond, in stukken gehakt.stylusFilippenzen 3:6, Handelingen 26:9, Filippenzen 3:6, Handelingen 26:9, Jeremia 26:1131Maar Joasj zei tot allen, die hem omringden: Zijt gij het dan, die Báal moet verdedigen; zijt gij het, die hem moet redden? Die hem durft verdedigen, zal vóór de morgen sterven. Indien hij God is, zal hij zichzelf wel verdedigen, als men zijn altaar vernielt.stylusEfeziërs 5:11, Jeremia 10:5, Jeremia 10:11, 1 Korintiërs 8:4, Efeziërs 5:1132Die dag gaf hij hem de naam Jeroebbáal, wat betekent: "laat Báal maar tegen hem vechten", omdat hij zijn altaar heeft vernield.stylus1 Samuël 12:11, 1 Samuël 12:11, 2 Samuël 11:21, Richteren 7:1, 2 Samuël 11:2133Alle Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten waren gezamenlijk de Jordaan overgetrokken en hadden hun legerplaats in de vlakte van Jizreël opgeslagen.stylusJozua 17:16, Jozua 17:16, Richteren 6:3, Richteren 6:3, Romeinen 8:3534Toen dan de geest van Jahweh Gedeon had aangegrepen, stak hij de bazuin; en Abiézer schaarde zich achter hem.stylusRichteren 3:27, Richteren 3:10, 2 Kronieken 24:20, 1 Kronieken 12:18, Richteren 3:2735Tevens zond hij boden door heel Manasse, en ook zij volgden hem. Eveneens zond hij boden naar Aser, Zabulon, en Neftali, die hem nu tegemoet trokken.stylusRichteren 4:6, 2 Kronieken 30:6, 2 Kronieken 30:12, Richteren 4:6, 2 Kronieken 30:636Nu sprak Gedeon tot God: Wanneer Gij, zoals Gij beloofd hebt, werkelijk Israël door mij wilt bevrijden,stylusRichteren 6:14, Richteren 6:14, Mattheüs 16:1, Mattheüs 16:1, 2 Koningen 20:937zie, dan leg ik een wollen vacht op de dorsvloer neer. Valt er nu dauw alleen op die vacht, terwijl de hele grond droog blijft, dan weet ik, dat Gij Israël door mij zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.stylusHosea 14:5, Hosea 14:5, Mattheüs 10:5, Mattheüs 10:6, Mattheüs 15:2438Zo geschiedde. En toen hij de volgende morgen opstond en de vacht uitwrong, kreeg hij er een wateremmer vol dauw uit.stylusJesaja 35:7, Jesaja 35:739Daarop sprak Gedeon tot God: Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, wanneer ik U voor een tweede keer vraag: Laat mij nog eens een proef nemen met de vacht; maar nu blijve de vacht alleen droog, en de hele grond worde bedauwd.stylusGenesis 18:32, Genesis 18:32, Jesaja 50:2, Psalmen 107:33, Psalmen 107:3540Zo deed God het in die nacht; de vacht alleen was droog, maar op heel de grond lag dauw.stylus