Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Richteren Hoofdstuk 5

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
RICHTEREN

Richteren 5

1Toen zongen Debora en Barak, de zoon van Abinóam:
Exodus 15:1, Exodus 15:1, Psalmen 18:1, Openbaring 19:1, Openbaring 19:3
2Toen men in Israël de haren liet groeien, Jahweh’s volk zich aanbood ten strijd,
Richteren 5:9, Richteren 5:9, 2 Kronieken 17:16, Psalmen 110:3, 2 Kronieken 17:16
3Hoort koningen, Luistert vorsten: Ik wil zingen ter ere van Jahweh, Spelen voor Jahweh, Israëls God.
Psalmen 138:4, Psalmen 138:5, Psalmen 138:4, Psalmen 138:5, Psalmen 119:46
4Jahweh, toen Gij uittoogt uit Seïr, Wegtrokt van Edoms veld, Sidderde de aarde, en beefde de hemel, Sloegen de wolken in regen neer.
Deuteronomium 33:2, Deuteronomium 33:2, Psalmen 68:7, Psalmen 68:8, Psalmen 68:7
5Schokten de bergen voor Jahweh, Voor Jahweh, Israëls God.
Exodus 19:18, Exodus 19:18, Psalmen 97:5, Psalmen 97:5, Jesaja 64:1
6In de dagen van Sjamgar, den zoon van Anat, In de dagen van Jaël, trokken geen karavanen uit; En die op reis gingen, Sloegen zijpaden in.
Jesaja 33:8, Richteren 3:31, Jesaja 33:8, Richteren 3:31, Leviticus 26:22
7De leiders ontbraken, In Israël was er niet één: Tot gij opstondt, Debora, Tot gij opstondt, moeder in Israël!
Jesaja 49:23, 2 Samuël 20:19, Jesaja 49:23, 2 Samuël 20:19, Romeinen 16:13
8Omdat men zich nieuwe goden had gekozen, Was het brood uit de poorten verdwenen, Werd schild noch lans meer bespeurd Voor de veertig duizend in Israël.
Deuteronomium 32:16, Deuteronomium 32:17, Deuteronomium 32:16, Deuteronomium 32:17, Richteren 2:17
9Mijn hart gaat uit naar Israëls leiders, Die zich met Jahweh’s volk ten strijde hebben gewijd,
Richteren 5:2, Richteren 5:2, 1 Kronieken 29:9, 2 Korintiërs 9:5, 2 Korintiërs 8:17
10Die gevlekte ezelinnen berijden, Op tapijten gezeten. Die te voet gaat langs de weg, jubelt het uit,
Richteren 12:14, Richteren 12:14, Richteren 10:4, Richteren 10:4, Psalmen 105:2
11Onder het juichen van die bij de drinkbakken staan, Waar men Jahweh’s gerechte daden bezingt, Zijn rechtvaardige leiding in Israël.
1 Samuël 12:7, Micha 6:5, 1 Samuël 12:7, Micha 6:5, Richteren 5:8
12Op, Debora; op, met uw lied; Doe het volk oprijzen bij duizenden! Op, Barak, in uw kracht; Boei, die u boeiden, Abinóams zoon!
Psalmen 68:18, Efeziërs 4:8, Psalmen 68:18, Efeziërs 4:8, Psalmen 57:8
13Daar daalt de rest der dapperen af, Jahweh’s volk komt af met zijn helden:
Openbaring 2:26, Openbaring 2:27, Jesaja 41:15, Jesaja 41:16, Openbaring 2:26
14Aanvoerders uit Efraïm staan in de vlakte, Uw broeder Benjamin onder uw drommen. Uit Makir komen de leiders aan, Uit Zabulon die de bevelstaf zwaaien;
Richteren 3:27, Richteren 12:15, Richteren 3:13, Numeri 32:39, Numeri 32:40
15Issakars vorsten vergezellen Debora, Nu Barak zijn voetvolk de valleien injaagt. Maar aan Rubens beken Zijn de angsten des harten geweldig.
Richteren 4:14, Richteren 4:14, Richteren 4:10, Richteren 4:6, Handelingen 15:39
16Waarom blijft ge tussen de omheiningen zitten, Luisterend naar het fluiten der herders?
Numeri 32:24, Numeri 32:24, Numeri 32:1, Numeri 32:5, Numeri 32:1
17Gilad dommelt aan de overkant van de Jordaan, Dan houdt zich bij zijn schepen op; Aser blijft zitten aan het strand van de zee, Ingesluimerd aan zijn baaien.
Jozua 13:25, Jozua 13:25, Jozua 19:24, Jozua 19:31, Jozua 13:31
18Maar Zabulon is een volk, dat zijn leven waagt, En de dood durft trotseren; Evenals Neftali, Dat op de hoogvlakten woont.
Richteren 4:10, Richteren 4:10, Richteren 4:6, Richteren 4:6, Openbaring 12:11
19Daar kwamen de koningen, in slagorde geschaard, Daar streden de koningen van Kanaän Bij Taänak, aan het water van Megiddo; Maar een buit van zilver behaalden ze niet.
Richteren 5:30, Richteren 1:27, Richteren 5:30, Richteren 1:27, 1 Koningen 4:12
20Uit de hemel hebben de sterren de strijd aangebonden, Van haar banen uit gestreden, Tegen Sisera gevochten:
Jozua 10:11, Jozua 10:11, Psalmen 77:17, Psalmen 77:18, Richteren 4:15
21En de stromende Kisjon sleurde ze mee. De oeroude beek, de beek Kisjon Vertrapte de lijken der helden;
Richteren 4:7, Richteren 4:7, Psalmen 44:5, Psalmen 44:5, Micha 7:10
22Daar stampten de hoeven der paarden Door het angstig gejaag zijner dapperen.
Jesaja 5:28, Psalmen 33:17, Psalmen 20:7, Micha 4:13, Psalmen 147:10
23Vervloekt Meroz, sprak de engel van Jahweh, Vervloekt zijn bewoners; Omdat zij Jahweh niet te hulp zijn gesneld, Met hun dapperen Jahweh niet hielpen!
Richteren 21:9, Richteren 21:10, Richteren 21:9, Richteren 21:10, Mattheüs 25:41
24Maar gezegend zij Jaël onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven;
Lucas 1:42, Lucas 1:42, Lucas 1:28, Lucas 1:28, Genesis 14:19
25Water vraagt hij, ze geeft hem melk, In een vorstelijke schaal brengt ze hem room.
Richteren 4:19, Richteren 4:21, Richteren 4:19, Richteren 4:21
26Met de ene hand grijpt ze de tentpin, Met haar rechter een timmermanshamer; Ze treft Sisera, verbrijzelt zijn hoofd, Vermorzelt en doorboort zijn slapen.
1 Samuël 17:49, 1 Samuël 17:51, 1 Samuël 17:49, 1 Samuël 17:51, Richteren 4:21
27Aan haar voeten heeft hij zich uitgestrekt, Aan haar voeten is hij in slaap gevallen; Doch waar hij zich neerlegt, Ligt hij nu dood.
Jakobus 2:13, Psalmen 52:7, Jakobus 2:13, Psalmen 52:7, Mattheüs 7:2
28Aan het venster door de tralies Tuurt en weeklaagt Sisera’s moeder: Waarom laat zijn strijdkar nog steeds op zich wachten; Waarom rollen zijn wagens zo langzaam aan?
Hooglied 8:14, Spreuken 7:6, 2 Koningen 1:2, Richteren 4:15, Jakobus 5:7
29De wijste harer edelvrouwen geeft haar ten antwoord, Wat ze reeds bij zichzelf had bedacht:
30Ze hebben buit gevonden, die ze moeten verdelen; Eén, twee slavinnen voor iederen held! Buit: bonte kleren voor Sisera; Buit: bonte kleurige doeken; Een, twee bonte doeken Als buit voor zijn hals.
Exodus 15:9, Exodus 15:9, Genesis 37:3, 2 Samuël 13:18, Job 20:5
31Zo mogen omkomen Al uw vijanden, Jahweh! Maar die U liefhebben Mogen zijn als de opgang der zon in haar kracht! En het land genoot veertig jaar lang rust.
Psalmen 37:6, Psalmen 37:6, 2 Samuël 23:4, 2 Samuël 23:4, Psalmen 19:4
32

Andere Boeken

RichterenRuth1 Samuël+

Andere Boeken

RichterenHfst. 5
Ruth1 Samuël2 Samuël1 Koningen2 Koningen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward