1Na Abimélek stond Tola op, de zoon van Poea, den zoon van Dodo, een man uit Issakar, om Israël te redden. Hij verbleef te Sjamir in het bergland van Efraïm,stylusRichteren 2:16, Richteren 2:16, Jozua 15:48, Richteren 3:9, Jozua 15:482en was drie en twintig jaar lang rechter over Israël. Toen stierf hij, en werd te Sjamir begraven.stylus3Na hem stond Jaïr uit Gilad op, die twee en twintig jaar rechter over Israël was.stylusNumeri 32:29, Genesis 31:48, Numeri 32:29, Genesis 31:484Hij had dertig zonen, die op dertig jonge ezels reden en dertig steden bezaten, die men nu nog Jaïr-kampementen noemt, en in het land van Gilad liggen.stylusNumeri 32:41, Numeri 32:41, Richteren 12:14, Richteren 5:10, Deuteronomium 3:145Jaïr stierf, en werd begraven in Kamon.stylus6Weer deden de Israëlieten kwaad in de ogen van Jahweh: ze dienden de Báals en Asjtarten, de goden van Aram, Sidon en Moab, de goden der Ammonieten en Filistijnen, maar verzaakten Jahweh, en dienden Hem niet.stylus1 Koningen 11:5, 2 Koningen 23:13, 1 Koningen 11:7, 1 Koningen 11:33, 1 Koningen 11:57Daarom ontbrandde Jahweh’s toorn tegen Israël, en leverde Hij hen over in de handen der Filistijnen en Ammonieten.stylusRichteren 2:14, Richteren 2:14, Deuteronomium 32:16, Deuteronomium 32:22, 1 Samuël 12:98Achttien jaar lang benauwden en verdrukten zij de Israëlieten, al die Israëlieten namelijk, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, in het land der Amorieten, dat in Gilad ligt.stylus1 Tessalonicenzen 5:3, Jesaja 30:13, 1 Tessalonicenzen 5:3, Jesaja 30:13, Richteren 10:59Zelfs trokken de Ammonieten de Jordaan over, om ook Juda, Benjamin en het huis van Efraïm te bestrijden, zodat Israël in grote nood verkeerde.stylus2 Kronieken 14:9, Richteren 3:12, Richteren 3:13, 1 Samuël 28:15, Richteren 6:310Nu begonnen de Israëlieten tot Jahweh te roepen: We hebben gezondigd tegen U; onzen God hebben we verlaten, en de Báals gediend.stylus1 Samuël 12:10, 1 Samuël 12:10, Psalmen 107:28, Psalmen 107:28, Psalmen 107:1911Maar Jahweh sprak tot de Israëlieten: Heb Ik u niet uit Egypte bevrijd, uit de handen der Amorieten, Ammonieten, Filistijnen,stylusExodus 14:30, Numeri 21:21, Numeri 21:25, Richteren 3:31, Exodus 14:3012Sidoniërs, Amalekieten en Midjanieten, toen zij u verdrukten, en gij tot Mij riept?stylusRichteren 6:3, Richteren 6:3, Psalmen 106:42, Psalmen 106:43, Richteren 5:1913En toch hebt ge Mij verlaten, en vreemde goden gediend; daarom zal Ik u nu niet meer redden.stylusJeremia 2:13, Jeremia 2:13, Richteren 2:12, 1 Kronieken 28:9, Richteren 2:1214Gaat de goden maar aanroepen, die ge u gekozen hebt; laat diè u maar redden, als gij verdrukt wordt.stylusJeremia 2:28, Deuteronomium 32:37, Deuteronomium 32:38, Jeremia 2:28, Deuteronomium 32:3715Doch de Israëlieten zeiden tot Jahweh: We hebben gezondigd; doe met ons als U goeddunkt, zo Gij ons thans maar verlost.stylus1 Samuël 3:18, 1 Samuël 3:18, 2 Samuël 15:26, 2 Samuël 15:26, 2 Samuël 24:1416En ze deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden Jahweh, die nu niet langer Israëls ellende verdragen kon.stylusJesaja 63:9, Jesaja 63:9, Psalmen 106:44, Psalmen 106:45, Psalmen 106:4417Eens toen de Ammonieten zich hadden verenigd en hun kamp opsloegen in Gilad, terwijl ook de Israëlieten zich verenigden en te Mispa legerden,stylusRichteren 11:29, Richteren 11:29, Richteren 11:11, Genesis 31:49, Richteren 11:1118zei het volk onder elkander: Wie is de man, die met de Ammonieten de strijd zal aanbinden? Hij zal aan het hoofd van alle inwoners van Gilad komen staan.stylusRichteren 11:11, Richteren 11:11, Jesaja 3:1, Jesaja 3:8, Richteren 11:5