1Nu was Jefte van Gilad zeker een dapper man; maar hij was de zoon van een ongehuwde vrouw, bij wie Gilad Jefte had verwekt.stylusHebreeën 11:32, Hebreeën 11:32, 2 Koningen 5:1, Richteren 6:12, 2 Koningen 5:12Ook de vrouw van Gilad had hem zonen gebaard, en toen haar zonen groot waren geworden, hadden zij Jefte verjaagd. Ze hadden gezegd: Gij zult niet erven in het huis van onzen vader; want gij zijt de zoon van een andere vrouw.stylusDeuteronomium 23:2, Genesis 12:10, Spreuken 2:16, Deuteronomium 23:2, Genesis 12:103Daarom was Jefte voor zijn broers gevlucht, en had hij zich in het land Tob gevestigd. Lieden, die niets te verliezen hadden, hadden zich bij Jefte gevoegd, en trokken er met hem op uit.stylusRichteren 9:4, Richteren 9:4, 1 Samuël 22:2, 2 Samuël 10:8, Job 30:14Toen nu enige tijd later de Ammonieten Israël de oorlog aandeden,stylusRichteren 10:9, Richteren 10:95en de Ammonieten reeds met de Israëlieten streden, gingen de oudsten van Gilad Jefte halen uit het land Tob.stylus1 Samuël 11:12, 1 Korintiërs 1:27, 1 Korintiërs 1:29, Psalmen 118:22, Psalmen 118:236Ze zeiden tot Jefte: Kom, en wees onze aanvoerder in onze strijd met de Ammonieten.stylus7Maar Jefte zei tot de oudsten van Gilad: Zijt gij het soms niet, die me hatelijk hebt weggejaagd uit het huis van mijn vader? Waarom komt ge dan nú naar mij toe, nu ge in nood verkeert?stylusGenesis 26:27, Genesis 26:27, Openbaring 3:9, Openbaring 3:9, Genesis 45:48De oudsten van Gilad gaven Jefte ten antwoord: Laat dat nu maar; we keren nu immers tot u terug. Ge moet met ons mee gaan, om tegen de Ammonieten te strijden; dan zult ge aan het hoofd van alle bewoners van Gilad komen staan.stylusRichteren 10:18, Richteren 10:18, Exodus 10:17, Exodus 8:28, Exodus 8:89Toen zei Jefte tot de oudsten van Gilad: Wanneer ge mij terug wilt hebben om de Ammonieten te bestrijden, en Jahweh ze voor mij op de vlucht slaat, zal ik dan werkelijk aan uw hoofd komen staan?stylusNumeri 32:20, Numeri 32:29, Numeri 32:20, Numeri 32:2910De oudsten van Gilad verzekerden het Jefte: Jahweh zal tussen ons richten, zo we niet volgens uw woord zullen handelen.stylusJeremia 42:5, Jeremia 42:5, Genesis 31:50, Genesis 31:50, Genesis 16:511Nu ging Jefte met de oudsten van Gilad mee, en het volk stelde hem tot hun hoofd en aanvoerder aan. Het was voor het aanschijn van Jahweh te Mispa, dat Jefte al deze woorden sprak.stylus1 Samuël 10:17, Richteren 20:1, Richteren 10:17, 1 Samuël 10:17, Richteren 20:112Nu zond Jefte boden naar den koning der Ammonieten met de vraag: Wat hebben we toch met elkander, dat gij mij in mijn land komt bestrijden?stylusDeuteronomium 2:26, Mattheüs 18:15, Mattheüs 18:16, Deuteronomium 2:26, Mattheüs 18:1513De koning der Ammonieten antwoordde aan de boden van Jefte: Wel, toen Israël optrok uit Egypte, heeft het bezit genomen van mijn land, van de Arnon af tot de Jabbok en de Jordaan; geef het mij dus maar vreedzaam terug.stylusGenesis 32:22, Genesis 32:22, Numeri 21:24, Numeri 21:26, Numeri 21:2414Opnieuw zond Jefte boden tot den koning der Ammonieten,stylusRomeinen 12:18, Psalmen 120:7, 1 Petrus 3:11, Hebreeën 12:14, Romeinen 12:1815en liet hem zeggen: Zo spreekt Jefte! Israël heeft noch het land van Moab, noch dat van Ammon zich toegeëigend.stylusDeuteronomium 2:9, Deuteronomium 2:19, Deuteronomium 2:9, Deuteronomium 2:19, Numeri 21:2716Want bij zijn uittocht uit Egypte trok Israël de woestijn door tot aan de Rode Zee. En te Kadesj gekomen,stylusNumeri 14:25, Deuteronomium 1:40, Numeri 14:25, Deuteronomium 1:40, Numeri 20:117zond Israël boden naar den koning van Edom met het verzoek: "Ik zou graag door uw land trekken". Maar de koning van Edom gaf geen toestemming. Insgelijks zond het boden naar den koning van Moab; maar ook deze wilde niet. En zo bleef Israël te Kadesj.stylusNumeri 20:14, Numeri 20:21, Numeri 20:1, Numeri 20:14, Numeri 20:2118Daarna ging het de woestijn door, en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Ten oosten van het land van Moab gekomen, legerden ze zich aan de overzijde van de Arnon, en kwamen dus het gebied van Moab niet binnen, daar de Arnon de grens van Moab was.stylusDeuteronomium 2:1, Deuteronomium 2:8, Deuteronomium 2:1, Deuteronomium 2:8, Numeri 33:3719Vervolgens zond Israël boden naar Sichon, den Amorieten-koning, die in Chesjbon regeerde, en Israël zeide hem: "Ik zou graag door uw land naar de plaats van mijn bestemming gaan".stylusJozua 13:8, Jozua 13:12, Deuteronomium 2:26, Deuteronomium 2:36, Numeri 21:2120Ook Sichon wilde Israël niet door zijn gebied laten trekken, doch Sichon verzamelde al zijn volk, dat zich te Jáhas legerde, en bond de strijd met Israël aan.stylusJozua 13:15, Jozua 13:32, Psalmen 136:17, Psalmen 136:21, Nehemia 9:2221Maar Jahweh, de God van Israël, leverde Sichon en heel zijn volk in de hand van de Israëlieten, die hen versloegen; en Israël nam bezit van heel het land der Amorieten, die deze streek bewoonden.stylus22Zij bezetten dus het gehele land der Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.stylusDeuteronomium 2:36, Deuteronomium 2:3623En nu Jahweh, Israëls God, de Amorieten voor zijn volk Israël heeft uitgedreven, zoudt gij ons nu willen verjagen?stylus24Bezit gij zelf niet wat Kemosj, uw God, heeft veroverd; en zouden wij dan niet heel het land mogen bezitten, waarvan Jahweh, onze God, de bewoners voor ons heeft uitgedreven?stylusNumeri 21:29, Numeri 21:29, Micha 4:5, Psalmen 78:55, 1 Koningen 11:725Zijt gij soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij soms met Israël twist gezocht, heeft hij hen bestreden?stylusMicha 6:5, Micha 6:5, Jozua 24:9, Jozua 24:10, Jozua 24:926Wanneer Israël nu al drie honderd jaar te Chesjbon en Aroër en beider onderhorige plaatsen en in alle steden langs de Arnon heeft gewoond, waarom hebt ge die dan al die tijd niet bevrijd?stylusDeuteronomium 2:36, Deuteronomium 2:36, Richteren 3:11, Deuteronomium 2:24, Numeri 21:2527Ik heb dus tegenover u niets misdaan; maar gij doet mij onrecht aan, door tegen mij te strijden. Moge Jahweh, de Rechter, heden oordelen tussen de zonen van Israël en Ammon!stylus1 Samuël 24:15, 1 Samuël 24:12, Genesis 18:25, Genesis 16:5, 1 Samuël 24:1528Maar de koning der Ammonieten wilde niet luisteren naar wat Jefte hem had doen zeggen.stylus2 Koningen 14:11, 2 Koningen 14:11, Spreuken 16:18, Spreuken 16:1829Nu werd over Jefte de geest van Jahweh vaardig. Hij doorkruiste Gilad en Manasse, trok naar Mispa in Gilad, en rukte vandaar tegen de Ammonieten op.stylusNumeri 11:25, Numeri 11:25, Richteren 3:10, Richteren 3:10, Richteren 13:2530En Jefte legde deze gelofte voor Jahweh af: Zo Gij de Ammonieten in mijn hand levert,stylusGenesis 28:20, Genesis 28:20, 1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:11, Prediker 5:431zal de eerste, die mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik in vrede van de Ammonieten terugkeer, aan Jahweh toebehoren; als brandoffer draag ik hem op.stylusPsalmen 66:13, Psalmen 66:14, Psalmen 66:13, Psalmen 66:14, Jesaja 66:332Toen Jefte dan tegen de Ammonieten optrok, om ze te bestrijden, gaf Jahweh ze in zijn hand.stylusRichteren 2:18, Richteren 1:4, Richteren 3:10, Richteren 2:18, Richteren 1:433Hij versloeg ze van Aroër tot Minnit, en moordde twintig steden uit, tot Abel-Keramin toe; het was een geweldige overwinning. Zo werden de Ammonieten voor de Israëlieten vernederd.stylusEzechiël 27:17, Ezechiël 27:17, Deuteronomium 2:36, Deuteronomium 2:3634Toen Jefte daarop te Mispa thuiskwam, trad zijn dochter naar buiten, om met tamboerijnen en reidansen hem tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij zoon noch dochter.stylusJeremia 31:4, Exodus 15:20, Jeremia 31:4, Exodus 15:20, Richteren 11:1135Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren, en riep uit: Ach mijn dochter, ge geeft me de slag; gij stort me in het ongeluk! Ik heb mijn mond voor Jahweh geopend, en kan niet meer terug.stylusGenesis 37:34, Genesis 37:35, Richteren 21:1, Richteren 21:7, Mattheüs 14:736Ze zeide tot hem: Vader, zo ge uw mond hebt geopend voor Jahweh, handel dan met mij volgens uw gelofte, nu Jahweh u wraak heeft doen nemen over de Ammonieten, uw vijanden.stylusRomeinen 16:4, 2 Samuël 18:19, Filippenzen 2:30, Handelingen 21:13, Romeinen 16:437Toch zeide ze nog tot haar vader: Sta me dit slechts toe; laat me twee maanden vrij, om rond te dwalen op de bergen, en met mijn vriendinnen mijn maagdelijkheid te bewenen.stylusLucas 1:25, Lucas 1:25, 1 Samuël 1:6, 1 Samuël 1:638Hij antwoordde: Ga maar! En hij liet haar twee maanden vrij. Ze ging heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdelijkheid in het gebergte.stylus39En toen zij aan het einde der twee maanden naar haar vader terugkeerde, voltrok hij aan haar de gelofte, die hij had afgelegd. Ze heeft dus geen man gehad. En het werd een gewoonte in Israël,stylusRichteren 11:31, Richteren 11:31, 1 Samuël 2:18, 1 Samuël 1:28, Leviticus 27:2840dat de israëlietische meisjes jaarlijks gedurende vier dagen de dochter van Jefte, den Giladiet, gingen bewenen.stylus1 Koningen 9:25, Richteren 5:11, 1 Koningen 9:25, Richteren 5:11