1Steekt de bazuinen op Sion, Blaast alarm op mijn heilige berg, Zodat alle landbewoners sidderen: Want de Dag van Jahweh komt, is nabij!stylusJoël 3:9, Joël 3:11, Joël 3:9, Joël 3:11, 2 Kronieken 25:82Een dag van duisternis en donkerte, Een dag van wolken en nevelfloers! Als het morgenrood, Uitgespreid over de bergen, Daagt een volk op, talrijk en machtig, Zoals er vroeger nooit een geweest is, En later nooit meer zal zijn Tot in de verste geslachten.stylusPsalmen 80:12, Psalmen 80:13, Psalmen 80:12, Psalmen 80:13, Sefanja 3:113Vóór hen uit verterend vuur, Laaiende vlammen achter hen aan; Vóór hen is de aarde een paradijs, Achter hen een naakte woestijn; Niets blijft er over, Dat hun ontsnapt!stylusEzechiël 23:14, Ezechiël 23:15, Ezechiël 23:14, Ezechiël 23:15, Jesaja 63:14Ze lijken op paarden, Als rossen jagen ze voort;stylusJeremia 4:13, Jeremia 4:13, Jesaja 66:15, Nahum 3:2, Nahum 3:35Als rammelende wagens Hotsen ze over de toppen der bergen; Als een knetterende vuurvlam, die de stoppels verteert; Als een geweldige bende, ten strijde gereed!stylusJeremia 46:12, Jeremia 46:12, Nahum 3:18, Jeremia 51:27, Jeremia 51:286De volken beven voor hen van angst, Alle gezichten verbleken.stylusJesaja 45:1, Jesaja 45:2, Jesaja 45:1, Jesaja 45:2, 2 Petrus 3:107Als krijgshelden stormen ze aan, Beklimmen de muur als oorlogsmannen; Recht gaan ze allen vooruit, En maken geen omweg.stylusJesaja 38:14, Jesaja 59:11, Jesaja 38:14, Jesaja 59:11, Lucas 23:488De een verdringt den ander niet, Een ieder volgt zijn eigen pad. Ze storten zich op de pijlen in In ongebroken rijen;stylusGenesis 10:11, Openbaring 17:15, Jesaja 48:20, Openbaring 17:1, Jeremia 51:309Ze bestormen de stad, En rennen over de muur. Ze klimmen de huizen binnen, Sluipen als dieven door de vensters:stylusJesaja 33:4, Ezechiël 26:12, 2 Kronieken 36:10, Jeremia 25:34, Daniël 11:810De aarde bibbert voor hun blikken, De hemel siddert; Zon en maan verduisteren, De sterren verliezen haar glans.stylusPsalmen 22:14, Psalmen 22:14, Joël 2:6, Daniël 5:6, Joël 2:611Jahweh laat zijn donderstem horen Aan de spits van zijn heir; Want geweldig groot zijn zijn drommen, Machtig, die zijn last volbrengen! Ja, groot is de Dag van Jahweh, En al te hevig! Wie kan het harden?stylusJesaja 5:29, Jesaja 5:29, Jeremia 2:15, Jeremia 2:15, Jeremia 50:4412Maar ook nu nog: Is de godsspraak van Jahweh, Keert tot Mij terug met heel uw hart, In vasten, wenen en rouw;stylusJeremia 51:34, Jeremia 51:34, Psalmen 17:12, Jesaja 10:6, Jesaja 10:1413Scheurt uw harten, niet uw kleren, Bekeert u tot Jahweh, uw God! Want Hij is genadig en barmhartig, Lankmoedig, rijk aan ontferming; Een, die spijt heeft over uw rampen.stylusPsalmen 46:9, Nahum 3:5, Jeremia 21:13, Psalmen 46:9, Nahum 3:514Wie weet, of ‘t Hem ook nu niet berouwt, En Hij u een zegen laat Tot spijs- en drankoffer voor Jahweh, uw God.stylus15Blaast de bazuinen op Sion; Schrijft vasten uit, roept de menigte samen!stylus16Verzamelt het volk, brengt de schare bijeen, Roept grijzen, en kinderen en zuigelingen op; Laat de bruidegom zijn kamer verlaten, En de bruid haar bruidsvertrek.stylus17Laat tussen voorhal en altaar De priesters wenen, de dienaars van Jahweh. Laat ze zeggen: Spaar, Jahweh, uw volk; Geef toch uw erfdeel niet prijs aan de schande, Aan de heidenen, die ze knechten! Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God?stylus18Nu ijvert Jahweh weer voor zijn land, En spaart Hij zijn volk!stylus19Jahweh antwoordt, en spreekt tot zijn volk: Zie, Ik zend u weer koren en wijn, En olie, om u te verzadigen; Niet langer geef Ik u aan de hoon der heidenen prijs!stylus20Den man uit het noorden drijf Ik ver van u weg, Verjaag hem naar een dor en woest land; Zijn voorhoede naar de zee van het oosten; Zijn achterhoede naar de zee van het westen; Stank en verpesting stijgt van hem op Om zijn grootdoenerij.stylus21Vrees niet, akker; wees blij en vol vreugde: Want Jahweh gaat grootse dingen doen!stylus22Vreest niet langer, dieren in het veld: Want de vruchtbare plekken worden weer groen, De bomen dragen weer vrucht, Vijg en wijnstok schenken hun oogst.stylus23En gij, kinderen van Sion, jubileert, Verheugt u in Jahweh, uw God! Want dan zal Hij u geven Den Leraar der Gerechtigheid; Dan schenkt Hij u de regen weer, Van na- en voorjaar, zoals eerst.stylus24Dan worden de dorsvloeren met koren bedekt, Vloeien de perskuipen over van wijn en van olie;stylus25Dan zal Ik u de jaren vergoeden, Die de sprinkhaan verknaagde: De langpoot, de kaalvreter, de knaagbek, Mijn machtig leger, dat Ik tegen u uitzond.stylus26Dan eet ge volop, en voelt u verzadigd, Looft ge de Naam van Jahweh, uw God, Omdat Hij wonderen voor u deed; En nooit meer wordt mijn volk te schande.stylus27Dan weet ge, dat Ik te midden van Israël vertoef, Dat Ik, Jahweh, uw God ben, geen ander!stylus28Daarna stort Ik mijn Geest uit over alle vlees: Uw zonen en dochters zullen profeteren, Uw grijsaards zullen dromen ontvangen, Uw jonge mannen visioenen schouwen;stylus29Zelfs over slaven en slavinnen Stort Ik mijn Geest uit in die dagen!stylus30Ik zal wonderen doen aan de hemel en op aarde: Bloed en vuur, en walm van rook;stylus31De zon zal in duisternis verkeren, De maan in bloed; Voordat de Dag van Jahweh komt, Groot en schrikwekkend!stylus32Dan zullen allen worden behouden, Die de Naam van Jahweh aanroepen. Want op de berg Sion En in Jerusalem zal redding zijn; Zoals Jahweh heeft gesproken, En de herauten, die Jahweh riep!stylus